Einde inhoudsopgave
Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
Bijlage 2a Formules als bedoeld in artikel 21, tweede lid
Geldend
Geldend vanaf 01-05-2025
- Bronpublicatie:
25-04-2025, Stcrt. 2025, 15094 (uitgifte: 30-04-2025, regelingnummer: 2025-0000091779)
- Inwerkingtreding
01-05-2025
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
25-04-2025, Stcrt. 2025, 15094 (uitgifte: 30-04-2025, regelingnummer: 2025-0000091779)
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Ambtenarenrecht / Bijzondere onderwerpen
Internationaal privaatrecht / Bijzondere onderwerpen
Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid / Verzekeringen
Personen- en familierecht / Huwelijk, relaties en echtscheiding
Arbeidsrecht / Bijzondere onderwerpen arbeidsrecht
Verzekeringsrecht / Pensioenrecht
Artikel 01. Begripsbepaling
In deze bijlage wordt verstaan onder:
- –
ieder individu: iedere deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner en pensioengerechtigde;
- –
premieovereenkomst: premieovereenkomst of premieregeling;
- –
voor pensioenuitkering bestemd vermogen dan wel kapitaal: voor pensioenuitkering bestemd vermogen in de solidaire premieovereenkomst dan wel solidaire premieregeling dan wel het kapitaal in de flexibele premieovereenkomst dan wel flexibele premieregeling.
Artikel 1. Vaststellen contante waarde van alle opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten
1
De contante waarde van alle opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten CWvoor wordt vastgesteld door eerst de verwachte uitgaande kasstromen die voortvloeien uit de opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten KSvoor(i,h) voor ieder individu i en voor alle looptijden h > 0 vast te stellen. Vervolgens worden de kasstromen van ieder individu per looptijd gesommeerd en wordt hiervan de contante waarde vastgesteld. Voor opgebouwde pensioenaanspraken of variabele uitkeringen die voortvloeien uit een premieovereenkomst is de contante waarde CWvoor gelijk aan het kapitaal voortvloeiend uit de beschikbaar gestelde premies.
2
Indien sprake is van een premieovereenkomst geldt in afwijking van het eerste lid dat de opgebouwde pensioenaanspraken of variabele uitkeringen niet hoeven te worden meegenomen in CWvoor en KSvoor(i,h), maar in de waarde P. De waarde P is dan gelijk aan de som van het kapitaal voortvloeiend uit de beschikbaar gestelde premies van ieder individu.
3
Indien sprake is van een premieovereenkomst met inleggarantie of rendementsgarantie wordt de waarde van de inleggarantie of rendementsgarantie in afwijking van het eerste lid opgenomen in waarde P. De waarde van de inleggarantie of rendementsgarantie is gelijk aan de specifiek hiervoor aangehouden voorziening of wordt vastgesteld door toepassing van de vba-methode, bedoeld in artikel 46c van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.
4
De overwegingen om al dan niet van het tweede lid gebruik te maken worden overeenkomstig artikel 46, tweede lid, onderdeel c, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling opgenomen in het implementatieplan. De onderbouwing bevat ook een toelichting waarom de gemaakte keuze bijdraagt aan de evenwichtigheid van de transitie.
Artikel 2. Vaststellen contante waarde van de aanpassingskasstromen
1
De contante waarde van de aanpassingskasstromen CW* wordt vastgesteld door eerst de aanpassingskasstromen KS*(i,h) voor iedere deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner en pensioengerechtigde i en voor alle looptijden h > 0 vast te stellen via de formule

waarbij de jaarlijks trapsgewijs stijgende functie q(h) als volgt is gedefinieerd:

met [h] de op hele jaren neerwaarts afgeronde looptijd en N de spreidingstermijn in jaren, die gelijk is aan tien jaar. Vervolgens worden de aanpassingskasstromen van alle deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden per looptijd gesommeerd en wordt hiervan de contante waarde vastgesteld. Voor opgebouwde pensioenaanspraken, variabele uitkeringen, inleggarantie of rendementsgarantie die voortvloeien uit een premieovereenkomst en die volgens artikel 1, tweede of derde lid, worden meegenomen in waarde P wordt geen aanpassingskasstroom vastgesteld.
2
Om de contante waarde van de aanpassingskasstromen KS*(i,h) bij opgebouwde pensioenaanspraken of variabele uitkeringen die voortvloeien uit een premieovereenkomst vast te stellen, worden de volgende stappen doorlopen:
- a.
Voor ieder individu i en voor alle looptijden h > 0 worden de verwachte uitgaande kasstromen KSvoor (i,h) bepaald, zodat de contante waarde hiervan gelijk is aan CWvoor. Voor deze bepaling gebruikt het fonds de hiervoor benodigde aannames en methodes, waarbij het zich baseert op zo realistisch mogelijke aannames en de op dat moment bij de uitvoerder geldende tarieven.
Een fonds kan hiervan afwijken, indien toepassing van het op 30 juni 2022 in de actuariële en bedrijfstechnische nota, bedoeld in artikel 145 van de Pensioenwet dan wel artikel 140 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, vastgelegde beleidskader bijdraagt aan de evenwichtigheid van de transitie, of voor zo ver dit leidt tot een realistischere bepaling van de kasstromen KSvoor (i,h). De onderbouwing van een afwijking wordt overeenkomstig artikel 46, tweede lid, onderdeel c, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in het implementatieplan opgenomen.
- b.
Vervolgens kan de contante waarde van de aanpassingskasstromen KS*(i,h) bepaald worden, overeenkomstig het eerste lid.
3
In afwijking van N, de spreidingstermijn van tien jaar, kan een fonds een kortere of langere spreidingstermijn hanteren. Een langere spreidingstermijn is uitsluitend toegestaan voor zover de verhouding tussen het beschikbare vermogen M en de technische voorzieningen van een fonds meer dan 100 procent betreft. Hierbij is M gelijk aan het beschikbare vermogen van een fonds waar de standaardregel op toegepast wordt.
4
Bij toepassing van een andere spreidingstermijn dan tien jaar wordt bij de onderbouwing in het implementatieplan, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel i, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in ieder geval de bestandssamenstelling van het fonds betrokken. De onderbouwing bevat ook een toelichting waarom een spreidingstermijn van tien jaar tot een onevenwichtiger nadeel zou leiden dan bij de gekozen afwijkende spreidingstermijn.
Artikel 3. Vaststellen schalingsfactor voor de aanpassingskasstroom
De schalingsfactor x voor de aanpassingskasstroom wordt vastgesteld via de formule

waarbij M gelijk is aan het beschikbare vermogen van een fonds waar de standaardregel op toegepast wordt. Voor zover de waarde P, als bedoeld in artikel 1, tweede of derde lid, niet van toepassing is, is de waarde P in deze formule gelijk aan 0.
Artikel 4. Vaststellen voor pensioenuitkering bestemd vermogen of kapitaal
1
Het voor pensioenuitkering bestemd vermogen dan wel het kapitaal, waarbij gebruik is gemaakt van artikel 1, eerste lid, wordt vastgesteld door eerst de verwachte uitgaande kasstromen in de solidaire premieovereenkomst dan wel solidaire premieregeling, of flexibele premieovereenkomst dan wel flexibele premieregeling KSna(i,h) voor ieder individu i en voor alle looptijden h > 0 vast te stellen via de formule

Vervolgens is het voor pensioenuitkering bestemd vermogen dan wel kapitaal voor ieder individu gelijk aan de contante waarde van deze kasstroom.
2
Het voor pensioenuitkering bestemd vermogen dan wel kapitaal is gelijk aan het kapitaal voortvloeiend uit de beschikbaar gestelde premies voor ieder individu, indien gebruik is gemaakt van de waarde P, als bedoeld in artikel 1, tweede lid.
3
Indien sprake is van een premieovereenkomst met inleggarantie of rendementsgarantie wordt het voor pensioenuitkering bestemd vermogen dan wel kapitaal volgend uit het eerste of tweede lid voor ieder individu verhoogd met de in waarde P opgenomen waarde van diens inleggarantie of rendementsgarantie, als bedoeld in artikel 1, derde lid.