Einde inhoudsopgave
Wet inkomstenbelasting 2001
Artikel 5.35 Onregelmatige handelingen met nettolijfrenten
Geldend
Geldend vanaf 19-07-2025
- Bronpublicatie:
14-07-2025, Stb. 2025, 195 (uitgifte: 18-07-2025, kamerstukken: 36706)
- Inwerkingtreding
19-07-2025
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
14-07-2025, Stb. 2025, 196 (uitgifte: 18-07-2025, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Vermogensrendementsheffing (box 3)
1.
Na toepassing van artikel 5.16c, eerste lid, in het voorafgaande kalenderjaar op de gehele of gedeeltelijke aanspraak op een nettolijfrente wordt tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden gerekend het product van het in artikel 5.2, tweede lid, als tweede vermelde percentage en het bedrag dat gelijk is aan de helft van de waarde van die gehele aanspraak, onderscheidenlijk gedeeltelijke aanspraak, aan het begin van het voorafgaande kalenderjaar, vermenigvuldigd met tien.
2.
Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag van de belasting die is verschuldigd over het bedrag dat ingevolge het eerste lid tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden wordt gerekend, hoger is dan het totale bedrag van de belasting en de belastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die zouden zijn verschuldigd indien de mogelijkheid zou bestaan de in de voorafgaande jaren ingevolge artikel 5.16 genoten vrijstelling door middel van navorderingsaanslagen ongedaan te maken, wordt in afwijking van het eerste lid tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden gerekend dit totale bedrag vermenigvuldigd met het quotiënt van 100% en het in artikel 2.13 vermelde percentage.