Einde inhoudsopgave
Besluit bouwwerken leefomgeving - Nota van toelichting
4.2.1 Woningwet en Bouwbesluit 2012
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
Een aantal onderwerpen dat voorheen in de Woningwet werd geregeld, wordt onder de Omgevingswet op AMvB-niveau geregeld. In dit besluit zijn, zij het in enigszins gewijzigde vorm, de artikelen 4, 6, 7, 7a en 13 van de Woningwet te herkennen. Het betreft regels over de inperking van verbouw, afstemming met regels rond monumenten en regels waarin maatwerk mogelijk wordt gemaakt, enerzijds met advies met instemming en anderzijds voor het bevoegd gezag zelf. De zorgplicht die in artikel 1a van de Woningwet was opgenomen komt deels terug in dit besluit, en het algehele verbod om de regels te overtreden komt niet terug. De directe werking van de regels blijkt uit de hoofdstukken 4 en 18 van de Omgevingswet, in samenhang gelezen. Ook gaan sommige specifieke grondslagen uit de Woningwet op in de algemenere grondslagen onder de Omgevingswet.
Een nadere beschrijving van de wijze waarop voorheen geldende regelgeving en geheel of gedeeltelijk overgaat naar dit besluit is op hoofdlijnen te vinden in dit algemeen deel en meer gedetailleerd in de artikelsgewijze toelichting.
Drijvende bouwwerken
Voor drijvende bouwwerken zoals woonarken en drijvende winkeltjes gelden in afwijking van de reguliere regels een aantal specifieke regels. Voor die specifieke regels is aangesloten bij de regels die eerder vanaf 1 januari 2018 golden na de inwerkingtreding van de Wet verduidelijking voorschriften woonboten1. en de daarmee samenhangende wijziging van het Bouwbesluit 2012.
Een drijvend object wordt als bouwwerk in de zin van de Omgevingswet aangemerkt als het voldoet aan de omschrijving van dat begrip in bijlage I bij de Omgevingswet (zie ook voetnoot 1 in dit algemeen deel). Schepen die worden gebruikt voor verblijf en zijn bestemd en worden gebruikt voor de vaart worden in dit verband niet als bouwwerk aangemerkt. De regels van dit besluit zijn dan ook niet op die categorie drijvende objecten van toepassing. Binnen de categorie drijvende objecten die wel worden aangemerkt als bouwwerk, geldt in de regels een onderscheid tussen al op 1 januari 2018 bestaande drijvende bouwwerken en drijvende objecten die daarna, hetzij door nieuwbouw hetzij door functiewijziging, zijn of worden gerealiseerd. Drijvende objecten die al op 1 januari 2018 als drijvend bouwwerk bestonden, blijven vallen onder het overgangsrecht van de Wet verduidelijking voorschriften woonboten. Dit betekent dat op grond van dat overgangsrecht uiteindelijk de technische regels over het in stand houden, bouwen, verbouwen en functiewijziging niet op deze categorie van toepassing zijn, met uitzondering van een artikel over de zorgplicht voor veiligheid en gezondheid. Op grond daarvan is de eigenaar of degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen aan het bouwwerk bevoegd is, verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren als hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het bouwwerk tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden. Iets soortgelijks geldt voor de categorie drijvende bouwwerken met een woonfunctie die vanaf 1 januari 2018 zijn ontstaan door functiewijziging van een schip. Voor die categorie zijn de eisen over het in stand houden, bouwen, verbouwen en functiewijziging niet van toepassing, met uitzondering van het specifieke zorgplichtartikel 3.5. Dit is opgenomen in artikel 2.16 van dit besluit. Bij deze laatste categorie kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een voormalig vrachtschip dat voortaan op een vaste plaats als woonschip wordt gebruikt. Voor de overige categorieën drijvende objecten die na 1 januari 2018 door functiewijziging of nieuwbouw de hoedanigheid van (drijvend) bouwwerk krijgen, gelden deels dezelfde regels als voor andere te bouwen bouwwerken, deels soepeler regels. Zie daarvoor artikel 4.10 en de daarbij behorende toelichting.
Op drijvende bouwwerken waarop (met uitzondering van de specifieke zorgplicht van artikel 3.5) de regels van de hoofdstukken 3 tot en met 5 over het in stand houden, bouwen, verbouwen en functiewijziging niet van toepassing zijn, zijn ook de regels van hoofdstuk 5 over het verplaatsen van een bouwwerk niet van toepassing. Op grond van artikel 5.6 zijn op verplaatsing van een bouwwerk de regels van hoofdstuk 3 van toepassing. Drijvende bouwwerken zullen door hun specifieke aard veelal niet aan die regels kunnen voldoen. Bovendien zal verplaatsing en terugplaatsing bij drijvende bouwwerken eerder aan de orde zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan de ligplaats (zoals baggerwerkzaamheden) of op een werf aan het bouwwerk.
Voetnoten
Stb. 2017, 32.