Einde inhoudsopgave
Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965
Artikel 10b
Geldend
Geldend vanaf 01-01-2026. Let op: treedt met terugwerkende kracht in werking vanaf 01-07-2023
- Bronpublicatie:
19-12-2025, Stb. 2025, 451 (uitgifte: 23-12-2025, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
01-01-2026, terugwerkend tot: 01-07-2023
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
19-12-2025, Stb. 2025, 451 (uitgifte: 23-12-2025, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Loonbelasting / Pensioenregeling
Verzekeringsrecht / Pensioenrecht
1.
Als loonbestanddelen als bedoeld in artikel 18g, tweede lid, onderdeel a, van de wet komen in aanmerking:
- a.
alle loonbestanddelen, met uitzondering van het genot van een ter beschikking gestelde auto;
- b.
ingehouden bedragen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel j, van de wet;
- c.
loonbestanddelen die worden geruild tegen een vermindering van de arbeidstijd tot een maximum van 10% van de overeengekomen arbeidsduur, mits:
- 1°
De mogelijkheid van deze ruil schriftelijk is vastgelegd in een regeling waaraan ten minste driekwart van de werknemers kan deelnemen die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid van de inhoudingsplichtige;
- 2°
Het een regeling betreft waarbij de verlaging van het loon tijdelijk is; en
- 3°
De werknemer ten minste één keer per jaar de keuze heeft om de samenstelling van zijn loon te wijzigen.
2.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, komen eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31 van de wet slechts in aanmerking, indien deze bestanddelen geïndividualiseerd zijn.
3.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mogen voor de toepassing van de artikelen 18b en 18c van de wet regelmatig genoten loonbestanddelen worden gesteld op het gemiddelde van die regelmatig genoten loonbestanddelen in ten hoogste de laatste vijf kalenderjaren direct voorafgaande aan het kalenderjaar van overlijden van de werknemer. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing op niet regelmatig genoten loonbestanddelen.
4.
Gedurende perioden van onbetaald verlof als bedoeld in artikel 10a, tweede lid, wordt voor de toepassing van het eerste lid uitgegaan van de direct voorafgaande aan die perioden genoten loonbestanddelen, dan wel de direct na afloop van die perioden genoten loonbestanddelen.
5.
Gedurende perioden na onvrijwillig ontslag waarin loongerelateerde uitkeringen worden ontvangen als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel c, wordt voor de toepassing van het eerste lid uitgegaan van de direct voorafgaande aan die perioden genoten loonbestanddelen uit tegenwoordige dienstbetrekking.
6.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt gedurende andere perioden na ontslag dan bedoeld in het vijfde lid, uitgegaan van de direct voorafgaande aan die perioden genoten loonbestanddelen uit tegenwoordige dienstbetrekking. De eerste zin geldt voor een periode van ten hoogste drie jaar. Vanaf het vierde kalenderjaar na ontslag wordt geen hoger bedrag als pensioengevend loon in aanmerking genomen dan het door de gewezen werknemer in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar genoten gezamenlijke bedrag van:
- 1°
De winst uit onderneming vóór de ondernemersaftrek;
- 2°
De genoten loonbestanddelen uit tegenwoordige dienstbetrekking;
- 3°
Het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden; en
- 4°
De belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen.
7.
Voor de toepassing van artikel 18g, tweede lid, onderdeel b, van de wet mag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven, voor zover deze het gevolg is van het terugtreden naar een lager gekwalificeerde functie, in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum.
8.
Voor de toepassing van artikel 18g, tweede lid, onderdeel c, van de wet mag een loonsverlaging buiten beschouwing blijven, voor zover deze het gevolg is van ziekte of arbeidsongeschiktheid.
9.
Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt voor het partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum en voor het wezenpensioen het laatstgenoten pensioengevend loon verminderd overeenkomstig de deeltijdfactor. Indien de werknemer een deeltijdfunctie aanvaardt in de periode die aanvangt 10 jaar direct voorafgaande aan de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum, mag, in afwijking van de eerste zin, worden uitgegaan van het laatstgenoten pensioengevende loon direct voorafgaande aan het aanvaarden van die deeltijdfunctie. De tweede zin is uitsluitend van toepassing, voor zover de omvang van het dienstverband na het aanvaarden van de deeltijdfunctie niet lager is dan 50% van de omvang van het dienstverband aan het eind van de periode direct voorafgaande aan de aanvang van de periode, bedoeld in de tweede zin.
10.
Voor de toepassing van het vierde tot en met negende lid kan het loon gedurende de aldaar bedoelde perioden worden geïndexeerd met de loonindex in de bedrijfstak waarin de werknemer werkzaam is, dan wel met de gemiddelde loonindex voor de CAO-lonen per maand, inclusief bijzondere beloningen, zoals berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek.