Einde inhoudsopgave
Besluit bouwwerken leefomgeving - Nota van toelichting
§ 6.5.1 Brandveiligheidsinstallaties
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
In deze paragraaf wordt in de verschillende artikelen gesproken van krachtens de wet voorgeschreven installaties. Met krachtens de wet voorgeschreven worden zowel installaties bedoeld die aanwezig zijn op grond van dit besluit of een ander onder de wet vallend besluit als installaties die zijn aangebracht in het kader van een gelijkwaardige oplossing als bedoeld in artikel 4.7 van de wet.
Artikel 6.32 (brandmeldinstallatie)
In het eerste lid is bepaald dat een in artikel 3.115 voorgeschreven brandmeldinstallatie als dat in bijlage II is aangegeven, voorzien moet zijn van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging.
Het tweede lid bepaalt dat elke krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie, dus zowel een in het eerste lid voorgeschreven, als een andere brandmeldinstallatie op adequate wijze moet worden beheerd, gecontroleerd en onderhouden.
De goede werking van een brandmeldinstallatie moet tenslotte voortdurend zijn verzekerd.
In het algemeen zal sprake zijn van een adequate wijze van beheer, controle en onderhoud als dit wordt uitgevoerd volgens de voorschriften van de leverancier van de brandmeldinstallatie. Voor een beschrijving van beheer de controle en onderhoud, kan verder NEN 2654-1 worden geraadpleegd.
Het derde lid regelt dat een inspectiecertificaat voor een brandmeldinstallatie een geldigheidsduur heeft van drie jaar. Bij verplichte doormelding naar de brandweer geldt de kortere geldigheidsduur van één jaar in plaats van drie jaar. De geldigheidsduur wordt gerekend vanaf de datum van afgifte van het certificaat.
Artikel 6.33 (ontruimingsalarminstallatie)
In het eerste lid is bepaald dat een in artikel 3.119 voorgeschreven ontruimingsalarminstallatie als dat in bijlage II is aangegeven, voorzien moet zijn van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging. Het tweede lid bepaalt dat iedere krachtens de wet voorgeschreven ontruimingsalarminstallatie adequaat moet worden beheerd, gecontroleerd en onderhouden. In het algemeen zal sprake zijn van een adequate wijze van beheer, controle en onderhoud als dit wordt uitgevoerd volgens de voorschriften van de leverancier van de ontruimingsalarminstallatie. Voor een beschrijving van beheer, controle en onderhoud, kan verder NEN 2654-2 worden geraadpleegd.
Het derde lid regelt dat de geldigheidsduur van een inspectiecertificaat voor een ontruimingsalarminstallatie drie jaar is. De geldigheidsduur wordt gerekend vanaf de afgiftedatum van het certificaat. Als doormelding is verplicht i.s de geldigheidsduur een jaar.
Artikel 6.34 (droge blusleiding)
De controle en het onderhoud van droge blusleidingen en de daarbij behorende pompinstallatie volgt uit artikel 6.4 (specifieke zorgplicht). De blusleiding en de bijbehorende pompinstallatie moeten regelmatig op een adequate wijze worden gecontroleerd en onderhouden. Dit betekent dat zo nodig ook reparaties moeten worden uitgevoerd, maar beter nog dat defecten worden voorkomen. In aanvulling op deze zorgplicht bepaalt dit artikel dat krachtens de wet voorgeschreven droge blusleidingen en pompinstallaties eenmaal in de vijf jaar gerekend vanaf de oplevering moeten worden getest in overeenstemming met NEN 1594. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat in artikel 4.221 is geregeld dat de installatie bij in gebruikname van het bouwwerk aan NEN 1594 moet voldoen.
Er wordt op gewezen dat er niet altijd een pompinstallatie behoeft te zijn. Deze installatie is alleen, zoals ook volgt uit Bijlage C van NEN 1794, nodig bij gebouwen hoger dan 70 m. Dit heeft te maken met de capaciteit en de hoogste druk die de brandweer met een mobiele motorbrandspuit kan leveren.
Artikel 6.35 (blustoestellen en brandslanghaspels)
Het eerste lid regelt dat een krachtens de wet voorgeschreven draagbaar of verrijdbaar blustoestel ten minste een keer in de twee jaar op juiste wijze moet worden onderhouden en dat ook gecontroleerd moet worden of hij nog goed functioneert. Dit besluit schrijft alleen nog blustoestellen voor bij wegtunnels en kamerverhuur. Zie artikelen 4.223. Eventueel kunnen blustoestellen ook volgen uit een gelijkwaardige maatregel, vandaar ook de zinsnede ‘krachtens de wet’. Voor blustoestellen die alleen in het kader van Arbo regelgeving zijn aangebracht geldt dit artikel niet.
In het tweede lid van dit artikel is de frequentie geregeld voor het onderhoud en controle van brandslanghaspels. Hiervoor geldt evenals bij draagbare of verrijdbare blustoestellen eenmaal controle per twee jaar.
Er wordt op gewezen dat NEN 2559 niet meer is aangestuurd voor blustoestellen, maar dat hier ook wordt gesproken van een adequate wijze van onderhoud en controle net zoals voor brandslanghaspels al gebruikelijk was in het Bouwbesluit 2012. Ondanks het feit dat het normblad niet meer is aangestuurd kan worden aangenomen dat met NEN 2559 naar behoren aan de onderhouds- en controleverplichting gevolg kan worden gegeven.
Artikel 6.36 (automatische brandblusinstallatie en rookbeheersingssysteem)
Een automatische brandblusinstallatie (bijvoorbeeld een sprinklerinstallatie) heeft tot doel een beginnende brand te blussen of een brand onder controle te houden, zodat de omvang van de brand beperkt wordt. Een rook- en warmteafvoerinstallatie (rookbeheersingssysteem) heeft tot doel om rook en warmte bij een brand uit het bouwwerk af te voeren. Die installatie maakt het mogelijk gedurende een langere periode veilig te kunnen vluchten. Ook kan de installatie zijn bedoeld om te voorkomen dat reddings- en bluswerkzaamheden worden belemmerd door rook die in een ruimte blijft hangen. In dit artikel, dat gericht is op het waarborgen van een goede werking van genoemde installaties, wordt gesproken van krachtens de wet voorgeschreven. Hiermee wordt in dit geval vooral bedoeld dat dit soort installaties hoewel ze niet in regelgeving zijn voorgeschreven, wel een rol kunnen spelen bij een gelijkwaardige maatregel. Genoemde installaties kunnen onderdeel zijn van een gelijkwaardige maatregel voor bouwkundige brandwerende voorzieningen of om een langere loopafstand dan bedoeld in paragrafen 3.2.10 en 4.7.6 toe te staan. Ook is het mogelijk een automatische brandblusinstallatie en/of een rookbeheersingssysteem te installeren als onderdeel van de invulling van de vereiste gelijkwaardige brandveiligheid van grote brandcompartimenten en de functionele brandveiligheidseisen van paragraaf 4.2.13 (hoge en ondergrondse gebouwen).
Op grond van het eerste lid moet een krachtens de wet voorgeschreven automatische brandblusinstallatie voorzien zijn van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging (vastopgestelde Brandbeheersings- en Brandblussystemen). Door die inspectie is geborgd dat automatische brandblusinstallaties ook in de gebruiksfase blijven voldoen aan de uitgangspunten zoals die zijn geformuleerd ten tijde van de installatie daarvan.
Wanneer met een beroep op gelijkwaardigheid een rookbeheersingssysteem wordt toegepast, dan volgt uit het tweede lid dat dit systeem moet zijn voorzien van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectiesschema Brandbeveiliging. Met het begrip geldig wordt bedoeld dat het document niet verlopen mag zijn.
Het derde lid regelt dat de geldigheidsduur van een inspectiecertificaat voor een automatische brandblusinstallatie niet langer, maar ook niet korter is dan een jaar. Dit geldt ook voor een certificaat voor een rook- en warmteafvoerinstallatie. De geldigheidsduur wordt gerekend vanaf de afgiftedatum van het certificaat.