Einde inhoudsopgave
Omgevingsregeling - Toelichting
3.3 Regels over meten en rekenen in deze regeling
Geldend
Geldend vanaf 22-11-2019
- Bronpublicatie:
21-11-2019, Stcrt. 2019, 56288 (uitgifte: 22-11-2019, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
22-11-2019
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
21-11-2019, Stcrt. 2019, 56288 (uitgifte: 22-11-2019, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Overige regelgevende instantie(s)
Ministerie van Economische Zaken en Klimaat
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
Ministerie van Defensie
- Vakgebied(en)
Milieurecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Algemeen
Een type regel dat in diverse hoofdstukken van deze regeling te vinden is, betreft de regels over de wijze van meten en rekenen. In de gevallen dat het Rijk een regel heeft gesteld met een kwantitatieve norm (norm uitgedrukt in een getal), schrijven deze regels voor welke meet- of rekenmethode moet worden toegepast om te bepalen of aan die norm wordt voldaan. In deze regeling zijn de meet- en rekenregels opgenomen die nodig zijn voor het toepassen van rijksregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving met een kwantitatieve norm, voor zover in de AMvB's nog niet is bepaald op welke wijze aan die regels wordt getoetst. Voor opname in de Omgevingsregeling is gekozen als voorzien wordt dat de meet- of rekenregels periodieke aanpassing behoeven.
De meet- en rekenregels in deze regeling kunnen gericht zijn tot verschillende normadressaten en moeten in verschillende contexten worden toegepast. Om die redenen zijn ze in verschillende hoofdstukken van deze regeling te vinden.
Er zijn meet- en rekenregels:
- •
over activiteiten in de fysieke leefomgeving: deze regels richten zich tot degene die een activiteit verricht waarvoor op grond van een algemene rijks- of decentrale regel over die activiteit een waarde geldt waaraan de activiteit moet voldoen (hoofdstukken 4 en 5 van deze regeling, ook zal dit aspect in hoofdstuk 6 terugkomen dat via de Invoeringsregeling Omgevingswet zal worden toegevoegd.);
- •
voor besluiten: deze regels richten zich tot de bestuursorganen die op grond van een instructieregel, een beoordelingsregel voor een omgevingsvergunning of een regel over aan de vergunning te verbinden voorschriften een kwantitatieve norm moeten toepassen bij het nemen van een besluit (hoofdstukken 8, 9 en 10 van deze regeling);
- •
voor monitoring: deze regels richten zich tot bestuursorganen die een omgevingswaarde of andere parameter voor een aspect van de fysieke leefomgeving moeten monitoren (hoofdstuk 12 van deze regeling).
Onderstaande figuur 3.2 geeft een overzicht van de regels over meten en rekenen in deze regeling.

Figuur 3.2: Overzicht van de regels over meten en rekenen in deze regeling
Voor een aantal onderwerpen moet op verschillende momenten worden gemeten of gerekend. Bij het nemen van een besluit, bij het vaststellen of een concrete activiteit aan het besluit voldoet en soms ook in het kader van de monitoring. Dit betekent dat in de verschillende hoofdstukken van de regeling soms dezelfde meet-of rekenmethode wordt aangewezen. Zo komen de meet- of rekenregels voor de aspecten luchtkwaliteit, externe veiligheid, geluid, trillingen en geur in verschillende hoofdstukken van de regeling terug.
Meet- en rekenregels voor door het Rijk gereguleerde activiteiten (hoofdstuk 4 en 5)
De meeste meet- en rekenregels van het Rijk horen bij algemene regels van het Rijk over activiteiten die rechtstreeks gelden voor degene die de activiteit verricht. Omdat deze meet- en rekenregels bij de beperkingen horen die algemene rijksregels stellen aan de gevolgen van een activiteit voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, zijn deze in beginsel al op AMvB-niveau geregeld, namelijk in het Besluit activiteiten leefomgeving en Besluit bouwwerken leefomgeving. Voorbeelden hiervan zijn de regels over het door te meten bepalen van de juiste ligging van kabels en leidingen, regels over de berekening van emissies van stoffen naar de buitenlucht en over het berekenen van het energierendement van bodemenergiesystemen in het Besluit activiteiten leefomgeving en regels over de wijze van meten van de aan te houden afstanden tussen onderdelen van bouwwerken in het Besluit bouwwerken leefomgeving.
In de gevallen waarin mogelijke periodieke aanpassing van de meet- en rekenregels wordt voorzien, zijn meet- en rekenregels die behoren bij de in het Besluit activiteiten leefomgeving of Besluit bouwwerken leefomgeving opgenomen in de hoofdstukken 4 respectievelijk 5 van deze regeling. De grondslag voor deze meet- en rekenregels is artikel 4.3, derde lid, van de wet. Een voorbeeld van meet- en rekenregels voor door het Rijk gereguleerde activiteiten zijn de rekenregels over de emissie van ammoniak en fijnstof (PM10) door veehouderijen in hoofdstuk 4 van deze regeling.
Het Besluit activiteiten leefomgeving bepaalt in paragraaf 4.82 dat bij het houden van de te onderscheiden soorten landbouwhuisdieren in een dierenverblijf de emissiegrenswaarden uit dat besluit voor ammoniak en fijnstof (PM10) niet mogen worden overschreden. De Omgevingsregeling regelt vervolgens in afdeling 4.2 de methode van berekening van de emissies van ammoniak en fijnstof en bepaalt welke gegevens voor die berekening nodig zijn en bevat daartoe onder andere de beschrijving van de verschillende huisvestingssystemen, de emissiefactoren per huisvestingssysteem en de verwijderingsbijdrages. Degene die de activiteit verricht of wil gaan uitvoeren vindt de inhoudelijke algemene regel waaraan hij zich moet houden dus in het Besluit activiteiten leefomgeving en de bijbehorende rekenregels in afdeling 4.2 van de Omgevingsregeling. Doordat de rekenregels zijn opgenomen in de Omgevingsregeling kunnen deze snel worden aangepast aan nieuwe en innovatieve technische ontwikkelingen in de veehouderij. |
Meet- en rekenregels van het Rijk voor decentraal gereguleerde activiteiten (hoofdstuk 6 via de Invoeringsregeling Omgevingswet)
De bevoegdheid in artikel 4.1 van de wet om in het omgevingsplan, de waterschapsverordening en de omgevingsverordening regels te stellen over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving omvat ook het stellen van de daarbij behorende meet- of rekenregels. Die meet- of rekenregels van de gemeente, het waterschap of de provincie richten zich dan rechtstreeks tot degene die de activiteit verricht of wil gaan verrichten. Over decentraal gereguleerde activiteiten kunnen echter op grond van artikel 4.1, tweede lid van de wet, zoals dat — ter uitvoering van de motie van de leden Veldman en Çegerek1. — via de Invoeringswet Omgevingswet aan de Omgevingswet wordt toegevoegd, ook door het Rijk bij ministeriële regeling meet- en rekenregels worden gesteld. Deze regels richten zich eveneens rechtstreeks tot degene die de activiteit verricht. Deze meet- en rekenregels die het Rijk over decentraal gereguleerde activiteiten stelt, worden via de Invoeringsregeling Omgevingswet in hoofdstuk 6 van deze regeling opgenomen omdat ze een uitwerking zijn van een grondslag in de Invoeringswet Omgevingswet.
Doel van het op rijksniveau stellen van deze meet- en rekenregels is dat daarmee lokale verschillen op het gebied van meet- en rekenregels worden voorkomen. Dergelijke verschillen zijn belastend voor het bedrijfsleven. Ook beperkt het de bestuurlijke lasten. Zonder dergelijke regels zouden decentrale overheden voor elke regel die zij op grond van de instructieregels van het Rijk stellen de meetmethoden moeten voorschrijven. Daarnaast zouden bij het beschikbaar komen van nieuwe meet- of rekenmethoden alle omgevingsplannen, waterschapsverordeningen en omgevingsverordeningen daaraan moeten worden aangepast. Dit wordt voorkomen met een landelijke regeling.
In dit hoofdstuk van de regeling wordt de wijze van meten en rekenen alleen geregeld voor decentrale regels over activiteiten, voor zover het Besluit kwaliteit leefomgeving rijksinstructieregels bevat over het stellen van regels met een kwantitatieve norm in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening. Dit betekent dat er op dit moment alleen meet- en rekenregels in dit hoofdstuk worden opgenomen die samenhangen met het omgevingsplan en niet voor de waterschapsverordening of omgevingsverordening. Voor de waterschapsverordening en omgevingsverordening zijn namelijk geen instructieregels over het stellen van kwantitatieve decentrale waarden gegeven.
De onderwerpen waarvoor hoofdstuk 6 in de Invoeringsregeling meet- en rekenregels toevoegt aan de Omgevingsregeling zijn de waarden die in omgevingsplannen kunnen worden opgenomen voor het toelaatbare geluid en voor de toelaatbare trillingen door diverse activiteiten en voor de toelaatbare geur door zuiveringtechnische werken en agrarische activiteiten.
De toepassing van deze meet- en rekenregels is aan de orde als het omgevingsplan ter uitvoering van de rijksinstructieregel een kwantitatieve waarde bevat waaraan een geluid of trillingen veroorzakende activiteit moet voldoen en waarbij niet evident duidelijk is dat aan de waarde wordt voldaan.
Een voorbeeld hiervan is als het omgevingsplan ter uitvoering van de instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving een geluid veroorzakende activiteit alleen toelaat als die activiteit op de daarvoor gevoelige gebouwen niet leidt tot een hogere geluidbelasting dan 45 dB(A). Omdat de instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving de eenheid geven van de geluidbelasting die in het omgevingsplan kan worden toegestaan, geeft deze regeling de regels over de wijze waarop de geluidbelasting wordt berekend. Degene die de geluid veroorzakende activiteit verricht kan — als daar aanleiding toe is — de geluidbelasting door zijn activiteit dan met de regels uit de regeling berekenen. |
Meet- en rekenregels voor besluiten (hoofdstukken 8, 9 en 10)
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat onder andere instructieregels over de inhoud of motivering van omgevingsplannen, waterschapsverordeningen, omgevingsverordeningen en projectbesluiten. Voor de instructieregels over deze besluiten die een kwantitatieve bandbreedte geven waarbinnen bij een dergelijk besluit activiteiten met bepaalde gevolgen voor daarvoor gevoelige locaties mogen worden toelaten, geven de hoofdstukken 8 (instructieregels over programma's, omgevingsplannen, waterschapsverordeningen en omgevingsverordeningen) en 10 (projectbesluiten) van deze regeling de bijbehorende meet- en rekenregels. Die regels moeten worden toegepast door het bestuursorgaan dat de bedoelde besluitbevoegdheid uitoefent. De grondslag voor deze instructieregels met meet- en rekenregels is artikel 2.24, tweede lid, onder b, van de wet. Onderwerpen waarop deze regels betrekking hebben zijn het waarborgen van de veiligheid (regels over de externe veiligheid) en het beschermen van de gezondheid en van het milieu (regels over de kwaliteit van de buitenlucht, geluid en geur).
Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat ook beoordelingsregels voor de door het Rijk vergunningplichtig gestelde activiteiten. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de meeste omgevingsvergunningplichtig gestelde activiteiten is geen beoordeling van kwantitatief te duiden gevolgen voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving aan de orde. Een voorbeeld hiervan is de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, waarbij sprake is van een belangenafweging tussen het belang van de aanvrager en het belang van de monumentenzorg en rekening moet worden gehouden met een aantal beginselen uit verdragen. Bij andere omgevingsvergunningplichtig gestelde activiteiten (bijvoorbeeld ontgrondingsactiviteiten en sommige wateractiviteiten) is wel sprake van een beoordeling van kwantitatief te duiden gevolgen, maar is daarbij in het verleden en opnieuw in het kader van de stelselvernieuwing geen aanleiding gezien om het bevoegd gezag te verplichten om deze via een gestandaardiseerde methode te beoordelen. Bij die activiteiten kan voldoende worden vertrouwd op de deskundigheid van het bevoegd gezag. Voor milieubelastende activiteiten geldt dat deze kunnen leiden tot kwantificeerbare gevolgen voor aspecten van de fysieke leefomgeving. Waar het Besluit kwaliteit leefomgeving voor deze activiteiten een beoordelingsregel met een kwantitatieve norm hanteert, is ook de toepassing van een gestandaardiseerde methode door het bevoegd gezag wenselijk geacht. Voor die activiteiten bevat hoofdstuk 9 van deze regeling de meet- en rekenregels die het bevoegd gezag moet toepassen bij de beoordeling van een aanvraag om een dergelijke omgevingsvergunning. Dit betreffen meet- en rekenregels voor de beoordeling van de gevolgen voor de aspecten externe veiligheid, luchtkwaliteit en geluid. De grondslag voor deze regels is artikel 16.6 van de wet. Daarnaast zal hoofdstuk 9 van de regeling meet- en rekenregels behorende bij de regels in het Besluit kwaliteit leefomgeving over aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften gaan bevatten. Die regels worden ingevoegd via de Invoeringsregeling Omgevingswet. Hoofdstuk 10 verklaart tenslotte de regels uit hoofdstuk 9 van overeenkomstige toepassing op een projectbesluit dat geldt als een omgevingsvergunning.
De in hoofdstuk 7 van deze regeling opgenomen aanvraagvereisten hangen nauw samen met de regels over de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning. De aanvraagvereisten regelen welke gegevens de initiatiefnemer bij de aanvraag om zijn omgevingsvergunning aan het bevoegd gezag moet verstrekken. In de regeling van de aanvraagvereisten worden echter, uitgezonderd voor het onderwerp externe veiligheid, geen berekeningen gevraagd omdat voor andere onderwerpen niet vooraf kan worden bepaald of er in specifieke gevallen gerekend moet worden en wat de reikwijdte van de berekeningen moet zijn (bijvoorbeeld voor welke stoffen of emissiepunten).
Meet- en rekenregels voor monitoring (hoofdstuk 12)
De monitoring voor rijksomgevingswaarden zoals zwemwaterkwaliteit, luchtkwaliteit en andere parameters voor de fysieke leefomgeving zoals geluid moet worden uitgevoerd op een vooraf voorgeschreven wijze. Hoofdstuk 12 van deze regeling bevat daarvoor de meet- en rekenregels die zijn gericht tot de bestuursorganen of andere instanties belast met de monitoring of gegevensverzameling.
Voetnoten
Kamerstukken II 2016/17, 33 118, nr. 59.