Einde inhoudsopgave
Besluit activiteiten leefomgeving - Nota van toelichting
3.6 Regels bij ongewone voorvallen
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 293 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 293 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
Bij het verrichten van activiteiten die onder dit besluit vallen kan sprake zijn van gebeurtenissen die afwijken van het normale verloop van die activiteiten, zoals storingen, ongelukken of calamiteiten. Deze gebeurtenissen kunnen nadelige gevolgen voor de leefomgeving hebben. Die nadelige gevolgen kunnen in omvang sterk verschillen. Vaak zullen de nadelige gevolgen beperkt zijn en ook snel ongedaan kunnen worden gemaakt, in lijn met de specifieke zorgplichten die voor de activiteiten gelden. Bij een deel van de gebeurtenissen kunnen significante nadelige gevolgen voor de leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan. In die gevallen is er sprake van een ongewoon voorval, zoals dat in de bijlage bij artikel 1.1 van de wet is omschreven.
Voor deze ongewone voorvallen bevat de wet in hoofdstuk 19 regels gericht tot bestuursorganen. Deze regels bepalen welk bestuursorgaan bevoegd is als sprake is van een ongewoon voorval en wat dat bestuursorgaan moet of kan doen in geval van een ongewoon voorval. Zo bevat de wet een doormeldings- en informatieplicht, zodat gewaarborgd is dat zodra een bevoegd gezag wordt geïnformeerd over een ongewoon voorval het ook andere bestuursorganen die belang hebben bij onverwijlde kennisgeving op de hoogte stelt. Ook bevat de wet bevoegdheden voor het bevoegd gezag om de veroorzaker te verplichten tot het verstrekken van aanvullende informatie over het voorval en de getroffen maatregelen en de gevolgen daarvan, en kan het bevoegd gezag de veroorzaker tot het treffen van maatregelen verplichten. Als niet onmiddellijk kan worden vastgesteld wie de veroorzaker is kan het bevoegd gezag zelf preventieve of herstelmaatregelen treffen, en de kosten daarvan later verhalen.
De regels van hoofdstuk 19 van de wet richten zich niet direct tot de veroorzaker van een ongewoon voorval. Beoogd is namelijk dat de rechtstreeks werkende regels over een ongewoon voorval bij alle andere rechtstreeks werkende verplichtingen voor degene die een activiteit verricht staan. In lijn hiermee bevat dit besluit regels over ongewone voorvallen gericht tot degene die een activiteit verricht waarop rijksregels van toepassing zijn.
De specifieke zorgplicht die bij de meeste activiteiten die onder dit besluit vallen is opgenomen heeft ook betrekking op ongewone voorvallen. De maatregelen waartoe die specifieke zorgplichten verplichten houden dus ook in maatregelen gericht op het voorkomen van ongewone voorvallen en, als een ongewoon voorval zich toch voordoet, maatregelen om de gevolgen daarvan ongedaan te maken. Naast deze specifieke zorgplichten zijn bij verschillende activiteiten meer uitgewerkte voorschriften over ongewone voorvallen opgenomen. Deze bestaan uit drie typen voorschriften:
- a.
inhoudelijke voorschriften die gericht zijn op het voorkomen of beperken van gevolgen van ongewone voorvallen, zoals afstanden bij opslag van gevaarlijke stoffen en de verplichting tot het hebben van een lekbak bij het opslaan van bepaalde vloeistoffen;
- b.
de verplichting om het bevoegd gezag onverwijld te informeren over een ongewoon voorval;
- c.
de verplichting om bepaalde gegevens aan het bevoegd gezag te verstrekken over de oorzaak en de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval, over de maatregelen die zijn genomen om die nadelige gevolgen te voorkomen of te beperken en over maatregelen om te voorkomen dat een zodanig voorval zich nogmaals kan voordoen.
De regels onder a maken onderdeel uit van de paragrafen over de specifieke activiteiten, zoals het opslaan van gassen (afstand) of vloeistoffen (lekbak). De regels over b en c zijn, indien deze worden gesteld, steeds aan het begin van het hoofdstuk opgenomen en gelden voor alle in dat hoofdstuk gereguleerde activiteiten. Ze zijn ook van toepassing als vergunningplicht geldt.
Indien het in een specifiek geval gegeven de omstandigheden nodig is dat het bevoegd gezag informatie als bedoeld onder b en c hierboven ook ontvangt over gebeurtenissen die afwijken van het normale verloop van een activiteit maar waardoor geen significante gevolgen voor de leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan kan die verplichting als maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift worden gesteld.
Om de gepaste mate van spoed in de verplichting onder b uit te drukken bij het informeren over een ongewoon voorval is gekozen voor het begrip onverwijld. Dit houdt in dat zodra vastgesteld is dat er sprake is van een ongewoon voorval het bevoegd gezag direct moet worden geïnformeerd; vertraging is gezien de gevolgen voor de gezondheid en het milieu niet wenselijk. Dat is ook de reden dat het informeren vormvrij is: veelal zal infomeren telefonisch of langs elektronische weg kunnen plaatsvinden. Wat de invulling van het begrip onverwijld is wordt wel ook door de omstandigheden van het geval ingekleurd. Als omwille van het informeren handelingen zouden moeten worden nagelaten die de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval kunnen beperken moeten eerst die handelingen worden verricht, en moet het bevoegd gezag direct daarna worden geïnformeerd. Het begrip onverwijld laat daar ruimte voor.
Of door een afwijkende gebeurtenis significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan en er sprake is van een ongewoon voorval wordt in eerste instantie beoordeeld door degene die de activiteit verricht. Indien daarbij twijfel is over het wel of niet kunnen optreden van significante nadelige gevolgen voor de leefomgeving, en dus over de vraag of wel of niet sprake is van een ongewoon voorval, is het wijs om het bevoegd gezag te informeren.
Bij een chemisch bedrijf wordt een breuk in een bovengrondse leiding waardoor bodembedreigende stoffen worden getransporteerd geconstateerd, waarbij stoffen uit de leiding stromen. De medewerker die dit constateert weet dat de leiding via een nabijgelegen afsluiter kan worden afgesloten, zodat de toevoer van bodembedreigende stoffen wordt gestopt. Nadat hij dit heeft gedaan informeert hij degene die binnen het bedrijf verantwoordelijk is voor maatregelen bij afwijkende gebeurtenissen. Die verantwoordelijke beoordeelt welke gevolgen zijn ontstaan of dreigen te ontstaan. Als er weinig vloeistof uit de leiding is gestroomd en deze vloeistof direct kan worden opgeruimd, bijvoorbeeld omdat de breuk boven een dichte verharding heeft plaatsgevonden, moet dat opruimen gelet op de zorgplicht direct plaatsvinden, maar hoeft het bevoegd gezag niet te worden geïnformeerd. Als de vloeistof gedurende langere tijd uit de leiding stroomde en in de onverharde bodem is gesijpeld is er sprake of kan er sprake zijn van significante gevolgen voor de leefomgeving en dient het bevoegd gezag onverwijld te worden geïnformeerd. |
De regels over ongewone voorvallen in dit besluit gelden alleen voor activiteiten die gelet op het uitgangspunt ‘decentraal, tenzij’ onder dit besluit zijn gebracht. Eventuele regels over ongewone voorvallen voor activiteiten die dit besluit niet regelt kunnen decentraal worden gesteld. Zo is het goed denkbaar dat het omgevingsplan of de waterschapsverordening regels zullen bevatten over ongewone voorvallen, bijvoorbeeld over het bij een ongewoon voorval in regionaal oppervlaktewater geraken van verontreinigende stoffen als gevolg van het gedurende langere tijd uitvallen van een individuele zuivering van afvalwater bij een in het buitengebied gelegen bedrijf, dat niet op het openbaar riool is aangesloten. Als in de decentrale regels geen specifieke regels zijn opgenomen, geldt de algemene zorgplicht van de wet. De regels van hoofdstuk 19 van de wet, gericht tot bestuursorganen, gelden overigens wel voor alle ongewone voorvallen, dus ook ongewone voorvallen die plaatsvinden bij niet onder dit besluit geregelde activiteiten.
Het is mogelijk dat bij een ongewoon voorval een situatie ontstaat waarbij het voor het beperken van gevolgen van dat ongewoon voorval dringend nodig is activiteiten te verrichten waarvoor dit besluit regels bevat, maar waarbij die regels op dat moment niet nageleefd kunnen worden. Daarbij kan het zowel gaan om het verbod om de activiteit zonder melding of vergunning te verrichten als om inhoudelijke regels. Er is voor gekozen om voor deze situaties geen regeling in het besluit op te nemen. Het is gelet op de onvoorspelbaarheid van ongewone voorvallen niet op voorhand te bepalen, bij welke regels van dit besluit die afwijking gerechtvaardigd kan zijn. Dat hangt sterk af van de omstandigheden in het specifieke geval. Wel zou een regel kunnen worden opgenomen, die in algemene zin het kunnen afwijken van regels in het geval van ongewone voorvallen verwoordt. Voor opname van die regel is niet gekozen. De bevoegde instanties hebben in die gevallen de mogelijkheid om af te zien van handhaving. Dat is niet anders dan bij de meeste voorafgaand aan dit besluit geldende regelgeving. Voor zover die regelgeving een specifieke regeling voor deze situaties bevatte, wat een enkele keer het geval was, komt die specifieke regeling vanwege uniformiteit niet terug in dit besluit.
Als in het voorgaande voorbeeld een milieubedreigende vloeistof op de onverharde bodem is terechtgekomen kan de verdere verspreiding daarvan richting het grondwater worden voorkomen door snel een deel van de bodem af te graven en in afwachting van het afvoeren of reinigen daarvan tijdelijk op te slaan op een plek waar de stof niet richting de bodem kan lekken. In de terminologie van de wet is dan sprake van een ontgrondingsactiviteit, die gelet op paragraaf 16.2.2 van dit besluit vergunningplichtig kan zijn. Uiteraard moet in dat geval niet het verlenen van de vergunning worden afgewacht. De specifieke zorgplicht verplicht er zelfs toe, om maatregelen te nemen om nadelige gevolgen van ongewone voorvallen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. In de voorafgaand aan dit besluit geldende regelgeving was expliciet bepaald dat de Ontgrondingenwet en dus ook de daarin opgenomen vergunningplicht niet van toepassing was bij activiteiten die volgden uit toepassing van de specifieke zorgplicht van de Wet bodembescherming. Een vergelijkbare bepaling is in dit besluit niet opgenomen, omdat daarmee alleen het aspect van bodembescherming aandacht zou krijgen, terwijl ook andere onderwerpen bij een ongewoon voorval om handelen in afwijking van een vergunningplicht of andere regels kunnen noodzaken. |
In specifieke gevallen kan het ook aan de orde zijn dat een ander dan de veroorzaker van een ongewoon voorval gelet op dat voorval genoodzaakt is activiteiten in strijd met de regels te verrichten. Zo kan het zijn dat indien als gevolg van een ongewoon voorval het gemeentelijk vuilwaterriool geen water meer afvoert, voor een daarop aangesloten bedrijf een lozing langs een andere route gedurende bepaalde tijd onvermijdelijk is. Ook voor die situaties bevat dit besluit geen regels.
Onbenoemd 3.6.1 Wijzigingen ten opzichte de situatie voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet
Onbenoemd 3.6.2 Effecten