Einde inhoudsopgave
Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Aruba
Officiële Toelichting
Geldend
Geldend vanaf 01-10-2023
- Bronpublicatie:
28-06-2023, Stcrt. 2023, 17902 (uitgifte: 30-06-2023, regelingnummer: WBN-A 2023/3)
- Inwerkingtreding
01-10-2023
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
28-06-2023, Stcrt. 2023, 17902 (uitgifte: 30-06-2023, regelingnummer: WBN-A 2023/3)
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht / Bijzondere onderwerpen
Staatsrecht / Nationaliteitsrecht
Toelichting
1-1-a. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a
Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Justitie in zijn hoedanigheid van minister van het Koninkrijk.
Met de Minister van Justitie wordt bedoeld de Minister van Justitie en Veiligheid. De Minister is belast met de uitvoering van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Op dit moment is deze taak in handen gegeven van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
In eerdere periodes kende de RWN ook een andere ‘Onze Minister’, zoals onder andere de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie en de Minister voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering.
1-1-b. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, aanhef en onder b
Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder meerderjarige: hij die de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt of voordien in het huwelijk is getreden.
Deze bepaling definieert het begrip ‘meerderjarigheid’. Bij de (mede)verkrijging, bij de (mede)verlening alsook bij het verlies van het Nederlanderschap speelt de leeftijd van de betrokkene een belangrijke rol. In alle gevallen is het van belang of de betrokkene al dan niet meerderjarig is. Zo moet bijvoorbeeld ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, RWN een verzoeker meerderjarig zijn in de zin van deze bepaling. Het al dan niet meerderjarig zijn naar het eigen nationale recht van de vreemdeling speelt daarbij geen rol. Zo kan een negentienjarige vreemdeling, die naar zijn eigen nationale recht nog minderjarig is, geen verzoek om naturalisatie laten indienen door zijn ouder.
Met de zinsnede ‘of voordien in het huwelijk is getreden’ wordt gedoeld op degenen die jonger dan achttien jaar waren toen zij huwden. Hierbij is ook van belang of een buiten het Koninkrijk der Nederlanden gesloten huwelijk volgens de regels van het Arubaans (ongeschreven) internationaal privaatrecht in Aruba wordt erkend. Een alleen kerkelijk, religieus of anderszins ceremonieel gesloten huwelijk, ongeacht waar dat is gesloten, wordt dus niet erkend, tenzij deze huwelijkssluiting overeenstemt met de huwelijksregels van het land, waarin het huwelijk is gesloten. Slechts als een huwelijk van een persoon onder de leeftijd van 18 jaar in Aruba wordt erkend, kan deze persoon op grond van de RWN als meerderjarig worden aangemerkt. Het bovenstaande geldt tevens voor buiten het Koninkrijk gesloten geregistreerde partnerschappen, die zijn bedoeld in artikel 1, tweede lid RWN.
Binnen het Koninkrijk gesloten huwelijken worden op basis van het Statuut voor het Koninkrijk in ieder land van het Koninkrijk erkend. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor een in Aruba gesloten huwelijk waarbij de vrouw 16 jaar was ten tijde van de huwelijkssluiting. De huwelijksleeftijd in Aruba is 18 jaar, maar onder omstandigheden kan ook jonger worden gehuwd. Na een echtscheiding of overlijden van de echtgeno(o)t(e), voordat betrokkene achttien jaar geworden is, blijft sprake van meerderjarigheid.
Bepaling van de leeftijd
Het kan voorkomen dat in de overgelegde documenten alsook in de Persoonsinformatievoorziening Aruba (PIVA) de geboortedatum niet volledig is vermeld (de geboortemaand of de geboortedag ontbreekt). Voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap is het in een aantal gevallen echter noodzakelijk dat een volledige geboortedatum wordt vastgesteld. Zo dient bijvoorbeeld te worden bepaald of een kind twaalf jaar is (artikel 2, vierde lid, RWN), zestien jaar is (artikel 6, achtste lid, RWN en artikel 11, tweede tot en met vierde lid, RWN), nog minderjarig is, of dat een meerderjarig persoon een bepaalde leeftijd heeft bereikt (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g en h, RWN). Voor de toepassing van de RWN dient in dergelijke gevallen de geboortedatum van een persoon op de volgende wijze te worden bepaald.
De geboortedatum van een optant of verzoeker om naturalisatie dient in eerste instantie te worden bepaald uitsluitend aan de hand van zijn geboorteakte (of een uittreksel van een geboorteakte), zulks ongeacht wat er in andere documenten (bijvoorbeeld huwelijksakte, paspoort, identiteitskaart en dergelijke) is vermeld. Indien in een geboorteakte uitsluitend het geboortejaar is vermeld, dan wordt bij de beoordeling 1 juli als geboortedatum gehanteerd. Is naast het geboortejaar alleen de geboortemaand vermeld, dan wordt als geboortedatum aangenomen de zestiende van de desbetreffende maand. Pas indien geen geboorteakte kan worden overgelegd en een dergelijk document ook in het verleden niet is overgelegd, kunnen bij de bepaling van de geboortedatum andere documenten worden gebruikt op de wijze zoals hierboven vermeld.
Het vorenstaande neemt overigens niet weg dat voor wat betreft de vermelding van de geboortedatum in de optieverklaring dan wel het koninklijk besluit de vermelding in de PIVA leidend is. Dit betekent dat indien in de PIVA alleen het geboortejaar wordt vermeld, in de bevestiging of het koninklijk besluit ook uitsluitend het geboortejaar wordt opgenomen.
1-1-c. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c
Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder moeder: de vrouw tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat.
Definitie familierechtelijke betrekking(en)
Een minderjarige staat volgens Nederlands recht in familierechtelijke betrekking met één ouder dan wel in familierechtelijke betrekkingen met twee ouders. Het begrip ‘familierechtelijke betrekking’ doelt slechts op de familierechtelijke band, en dat is de juridische afstammingsrelatie (juridische afstammingsband) met de ouder (zie artikelen 1:197-1:199 BW/BW-A). Andere juridische aspecten van ouderschap, zoals namenrecht, erfrecht, onderhoudsverplichting, gezagsrecht etc, vallen niet onder het begrip ‘familierechtelijke betrekking’.
1-1-d. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d
Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder vader: de man tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat.
Definitie familierechtelijke betrekking(en)
Voor de betekenis van het begrip familierechtelijke betrekkingen in deze paragraaf wordt verwezen naar de definitie, zoals die is opgenomen in de toelichting op artikel 1, eerste lid, onder c RWN.
Ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e
Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder vreemdeling: hij die de Nederlandse nationaliteit niet bezit.
Het begrip ‘vreemdeling’ wordt gedefinieerd als een persoon die niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Hieronder vallen dus ook staatlozen en personen van wie de nationaliteit niet kan worden vastgesteld (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, RWN).
1-1-f. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f
Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder staatloze:
- 1.
- 2.
voor zover het betreft toepassing in de landen Aruba, Curaçao, Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba: een persoon die door geen enkele staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Personen die, met inachtneming van de betreffende nationaliteitswetgeving, werkelijk door geen enkel land als onderdaan worden aangemerkt, zijn staatloos in de zin van de RWN. Hiermee is de definitie van het begrip ‘staatloze’ in overeenstemming met de definitie in artikel 1 van het Verdrag van New York van 28 september 1954, betreffende de status van staatlozen (Trb. 1957, 22).
Om te bepalen of een persoon staatloos is in de zin van de RWN wordt in beginsel gekeken naar de inschrijving in de PIVA. Als de vreemdeling in de PIVA is ingeschreven als staatloze, is op zijn persoonslijst de categorie nationaliteit niet opgenomen en kan hij worden aangemerkt als staatloze in de zin van de RWN.
Als de vreemdeling in de PIVA is ingeschreven als zijnde van onbekende nationaliteit omdat zijn nationaliteit niet kan worden vastgesteld, is op zijn persoonslijst in de categorie nationaliteit de standaardwaarde ‘0000’ (onbekend) opgenomen en kan hij niet worden aangemerkt als staatloze in de zin van de RWN. Een eenduidige definitie van het begrip ‘staatloze’ is van belang in verband met de toepassing van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder q, RWN, artikel 8, vierde lid, RWN en artikel 14, achtste lid, RWN.
Als vaststaat dat beide ouders staatloos zijn, is evident dat het kind dit vanaf zijn geboorte ook is, tenzij het kind de Nederlandse nationaliteit kan ontlenen aan opvolgende geboorte (artikel 3, derde lid, RWN).
Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g
Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder toelating: instemming door het bevoegd gezag met het bestendig verblijf van de vreemdeling in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
§ 1. Algemeen
Uit de formulering van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN volgt dat toelating alleen van toepassing is op een vreemdeling. Dat betekent dat perioden waarin een optant of verzoeker Nederlander was, niet meetellen bij de berekening van de periode van toelating, en dat met een eventuele verkrijging van het Nederlanderschap de periode van toelating eindigt.
Of en vanaf welk moment sprake is van toelating is op zich een vreemdelingenrechtelijke vraag en moet door het bevoegd gezag in Aruba beantwoord worden. In het Arubaans vreemdelingenrecht moet rekening worden gehouden met de toepasselijke Landsverordening toelating, uitzetting en verwijdering (LTUV) en jurisprudentie.
Let op! Per 1 juli 2006 is de Landsverordening toelating en uitzetting (LTU) gewijzigd in Landsverordening toelating, uitzetting en verwijdering (LTUV). In de Handleiding wordt verwezen naar beide landsverordeningen door het gebruik van de afkorting LTU(V).
Toelating in Aruba moet door de vreemdeling worden aangetoond aan de hand van een verblijfsdocument. Zie hiervoor paragraaf 2 Toelating.
Let op! Het aantonen van toelating met een bewijsmiddel (verblijfsdocument) geldt ook voor minderjarige vreemdelingen die op grond van de LTU(V) zelfstandig in het bezit moeten zijn van een verblijfsdocument.
§ 2. Toelating
‘Toelating’ betekent in de Arubaanse situatie concreet dat een vreemdeling (niet-Nederlander) verblijfsrecht heeft in Aruba op grond van de LTUV. Het verblijfsrecht voor een niet-Nederlander kan voor een bepaalde of onbepaalde tijd zijn. De vreemdeling verblijft in de volgende gevallen rechtmatig in Aruba als hij in het bezit is van één van de volgende documenten:
- 1.
een vergunning tot tijdelijk verblijf (artikel 6, tweede lid, LTUV jo. artikel 7 LTUV); of
- 2.
een vergunning tot verblijf (artikel 6, derde lid, LTUV jo. artikel 7a LTUV); of
- 3.
een verklaring van toelating van rechtswege (artikel 3 LTUV).
Ad 1 en 2:
Instemming door het bevoegd gezag houdt in dat een daartoe strekkend besluit inhoudende de verstrekking van een verblijfsrecht van een bevoegde overheidsinstantie vereist is. Uit artikel 7 en artikel 7a LTUV volgt dat een vergunning tot tijdelijk verblijf (vttv) en de vergunning tot verblijf worden verleend namens de minister, belast met vreemdelingenzaken.
Ad. 3:
Het bevoegd gezag geeft op uitdrukkelijk verzoek van de vreemdeling een daartoe strekkende verklaring af waarin de status op grond van de LTUV wordt bevestigd.
Voor het verkrijgen van het Nederlanderschap moet de vreemdeling beschikken over een met de geldende LTUV in overeenstemming zijnde verblijftitel, tenzij sprake is van het van toepassing zijn van het voor optie- en naturalisatieverzoeken in december 2018 ingevoerde overgangsrecht (zie hieronder paragraaf 2.1).
§ 2.1. Beëindiging tijdelijk beleid per 1 december 2018 ten aanzien van de niet-LTUV conforme verblijfstitels en daarbij behorend overgangsrecht
Met ingang van 1 december 2018 komt een einde aan het sinds april 2013 geldende tijdelijke beleid, dat het mogelijk maakte om – ondanks dat sprake was van een niet met de LTUV overeenstemmende verblijfstitel- het Nederlanderschap te verkrijgen (WBN-A 2013/3). Dit tijdelijke beleid was destijds in het leven geroepen in afwachting van de implementatie van de toegezegde noodzakelijke aanpassingen van de LTUV. Dit tijdelijke beleid gold voor de volgende situaties:
- 1.
Een vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel ‘arbeid in loondienst’, werd vanaf de vijfde opeenvolgende verlening als toelating en verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard beschouwd, dit ondanks dat de LTUV een vijfde opeenvolgende verlening voor dit verblijfsdoel niet kent.
De vergunning tot tijdelijk verblijf met als doel ‘arbeid in loondienst’ afgegeven in het eerste tot en met vierde jaar kan wel altijd als bewijs van toelating worden gebruikt in een optieprocedure tot verkrijging van het Nederlanderschap, dit omdat deze een LTUV-conforme verblijfstitel oplevert. Het is dan zolang de LTUV in 2018 of later op dit punt niet is gewijzigd echter géén toelating voor onbepaalde tijd, maar slechts ‘toelating’. Zie verder par. 3.1.1. bij de toelichting op art. 8,1,b.
- 2.
Een verklaring ‘toelating van rechtswege’ in geval deze werd afgegeven door de Arubaanse vreemdelingendienst (DIMAS) o.g.v. het beoogde artikel 3, eerste lid aanhef en onder g, LTUV. Met de afgifte van een dergelijke verklaring werd geanticipeerd op de wijziging van de LTUV, zoals deze zou komen te luiden, mocht het wetsvoorstel (ZJ 2011-2012-736) worden aangenomen.
Deze toelatingsmogelijkheid bestaat voor een niet-Nederlander die getrouwd is met en inwoont bij een op Aruba geboren of genaturaliseerde Nederlander of een persoon als bedoeld in de onderdelen a t/m f van artikel 3 LTUV. Deze laatste personen kunnen ook niet-Arubaanse Nederlanders zijn of vreemdelingen die werkzaam zijn voor Aruba.
Staande het huwelijk van ten minste één Nederlander geadopteerde of rechtsgeldig door een Nederlander erkende minderjarige inwonende kinderen krijgen ook een toelating van rechtswege. Veelal zullen deze minderjarigen door de adoptie of de erkenning het Nederlanderschap hebben gekregen. Als dat niet het geval is en er sprake is van een verzoek om medenaturalisatie op grond van artikel 11 RWN dan gold een verklaring ex het beoogde artikel 3, eerste lid aanhef en onder g, LTUV als toelating voor onbepaalde tijd. Zie verder par. 2 bij de toelichting op art. 8-1-b.
Overgangsrecht
Alleen voor naturalisatieverzoeken en optieverklaringen ingediend cq afgelegd vóór 1 december 2018 blijft het hierboven weergegeven tijdelijke beleid nog van kracht.
§ 3. Toelating voor onbepaalde tijd
Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN en artikel 11, tweede tot en met vijfde lid en zevende lid, RWN moet de vreemdeling ‘toelating voor onbepaalde tijd’ in Aruba hebben. Dit betekent dat de vreemdeling (niet-Nederlander) in het bezit moet zijn van een verblijfsrecht met een niet-tijdelijk karakter. In de Arubaanse situatie betekent dit concreet dat een vreemdeling verblijfsrecht heeft in Aruba op grond van de LTUV.
‘Toelating’ betekent in de Arubaanse situatie concreet dat een vreemdeling (niet-Nederlander) verblijfsrecht heeft in Aruba op grond van de LTU(V). Het begrip ‘toelating voor onbepaalde tijd’ betekent hetzelfde als het begrip ‘geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd’ in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN . Een vreemdeling tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba geen bedenkingen bestaan, voldoet aan het vereiste ‘toelating voor onbepaalde tijd’. Op de wijze als beschreven in de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN kan worden beoordeeld of wordt voldaan aan dit vereiste. Hieronder volgt een korte toelichting.
Bij een vreemdeling die in Aruba in het bezit is van een vergunning tot tijdelijk verblijf (vttv) moet worden beoordeeld of sprake is van een toelating op grond waarvan sprake is van bestendig verblijf dat naar zijn aard voor onbepaalde tijd is. Een en ander hangt af van de beperking (de ‘reden’ van verblijf, het verblijfsdoel) waaronder de vergunning is verleend, soms aangevuld met het aantal aaneensluitend aan de vreemdeling verleende vergunningen met die bepaalde beperking.
Een vreemdeling die in het bezit is van een vergunning tot verblijf heeft altijd toelating voor onbepaalde tijd in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN.
Ten aanzien van een vreemdeling die verblijf van rechtswege heeft in Aruba op grond van artikel 3 van de LTU(V) geldt het volgende. Deze vreemdeling (niet-Nederlander) is weliswaar van rechtswege toegelaten in Aruba op grond van artikel 3LTU(V), maar dit betekent niet dat er altijd ook sprake is van verblijf voor onbepaalde tijd in de zin van de RWN. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op artikel 8 lid 1onder b RWN.
§ 4. Toelating minderjarigen
Om in aanmerking te komen voor (mede)naturalisatie dient een kind op grond van artikel 11 RWN te voldoen aan het vereiste van ‘toelating voor onbepaalde tijd’. Gelet hierop moet aan de hand van het verblijfsdocument van het kind worden aangetoond dat het kind beschikt over een zelfstandig dan wel afhankelijk verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard. Ingeval van gezinshereniging is het verblijfsrecht van het kind afhankelijk van degene bij wie verblijf wordt beoogd (de verblijfgever, meestal de ouder bij wie het kind verblijf heeft gekregen). Indien het verblijfsrecht van de verblijfgever een niet-tijdelijk karakter heeft, is het verblijfsrecht van het kind eveneens van niet-tijdelijke aard. Indien het verblijfsrecht van de verblijfgever een tijdelijk karakter heeft, is ook het verblijfsrecht van het kind tijdelijk van aard. In dat laatste geval is geen sprake van ‘toelating voor onbepaalde tijd’ (zie ook de toelichting bij artikel 11 RWN).
§ 5. Onafgebroken periode(n) van toelating/‘verblijfsgat’
Sinds 1 april 2003 is in verschillende artikelen in de RWN als voorwaarde opgenomen dat een vreemdeling een bepaalde periode, van één jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN), twee jaar (artikel 8, derde lid, RWN), drie jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, artikel 8, vierde en vijfde lid, RWN en artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, RWN), vijf jaar (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN), veertien jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN) of vijftien jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g en h, RWN) onafgebroken in (één van de landen van) het Koninkrijk moet zijn toegelaten. Dit houdt in dat in de vereiste periode van toelating geen zogeheten vreemdelingenrechtelijke ‘verblijfsgaten’ mogen voorkomen. Een verblijfsgat leidt tot een onderbreking van de termijn. Na de onderbreking begint de termijn opnieuw te lopen. Of sprake is van een verblijfsgat is een vreemdelingenrechtelijke vraag en moet in beginsel door de bevoegde autoriteiten van Aruba worden beantwoord.
Een aanvangsdatum van het verblijfsrecht (de toelating) werd tot 1 augustus 2009 om technische redenen (nog) niet vermeld op de vergunning tot tijdelijk verblijf. De datum van afloop van de vergunning tot tijdelijk verblijf (vttv) werd wel in het besluit opgenomen. Vergunningen tot tijdelijk verblijf worden in principe voor de duur van maximaal een jaar verstrekt.
De volgende verblijfsdoelen kunnen van een kortere duur zijn: vergunningen tot tijdelijk verblijf voor animeerpersonen en projectgebonden arbeid. In sommige gevallen is het ook volgens de LTU(V) en het beleid mogelijk om een vergunning voor een langere duur te verstrekken: Vergunningen tot tijdelijk verblijf voor renteniers kunnen voor de duur van het gegarandeerde inkomen worden afgegeven.
De Departamento di Integracion Maneho y Admision di Stranhero (DIMAS) hanteert ten aanzien van verblijfsgaten het volgende beleid.
Met betrekking tot aanvragen om een vttv ingediend na de datum van afloop van de voorafgaande vttv, moet een onderscheid worden gemaakt in de aanvragen van vóór 1 juli 2006 en aanvragen van na 1 juli 2006.
Aanvragen vóór 1 juli 2006
De vttv wordt geacht te zijn afgegeven voor de duur van een jaar. Dit betekent dat de late aanvragen niet hebben geleid tot een verblijfsgat als duidelijk is dat de vervaldatum van de nieuwe vergunning een jaar na datum verloop van de voorafgaande vergunning is. De vergunningen zijn qua vervaldatum aaneensluitend. Als de vervaldatum langer dan een jaar na datum vervolgaanvraag is, kan ervan worden uitgegaan dat sprake is van een verblijfsgat.
Aanvragen na 1 juli 2006
Aanvragen die binnen drie maanden na verloop van de vorige vergunning zijn ingediend zullen niet leiden tot een verblijfsgat. Deze aanvragen van een vttv worden behandeld als tijdig ingediend. Met betrekking tot aanvragen ingediend na 1 juli 2006 en na 3 maanden na afloop van de geldigheidsduur van een verblijfsdocument geldt als hoofdregel dat een verblijfsgat is ontstaan.
De Gouverneur onderzoekt aan de hand van het verblijfsdocument in samenhang met de beschikbare gegevens in de PIVA (en – als aanwezig – de gegevens in het NAVAS), de huidige verblijfsrechtelijke status van een optant of een naturalisandus en van de personen voor wie medeverkrijging/medeverlening is verzocht (artikelen 22, eerste lid, en 48, eerste lid, BVVN).
§ 5.1. Procedure afgifte bericht omtrent toelating
- •
een vreemdeling meldt zich bij de Gouverneur met als doel het Nederlanderschap aan te vragen;
- •
de Gouverneur adviseert de vreemdeling over de wijze waarop het Nederlanderschap kan worden verkregen (optie of naturalisatie). Aan de hand van deze informatie bepaalt de vreemdeling op welke wijze hij de Nederlandse nationaliteit wenst te verkrijgen. Welke periode van onafgebroken toelating voor de vreemdeling geldt, is afhankelijk van de vraag op grond van welke wettelijke bepaling deze het Nederlanderschap kan en wenst te verkrijgen;
- •
de vreemdeling legt een optieverklaring af of dient een verzoek om naturalisatie in. Bij de aflegging van de optieverklaring of indiening van het verzoek om naturalisatie verstrekt de vreemdeling de benodigde gegevens (artikel 6, eerste lid, BVVN en artikel 31, eerste lid, BVVN);
- •
na betaling van de verschuldigde optie- of naturalisatiegelden, of na de beslissing tot vrijstelling of ontheffing van die betaling en na overlegging van de benodigde stukken, neemt de Gouverneur de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie in behandeling (artikel 20 en 46, tweede lid BVVN);
- •
de Gouverneur onderzoekt de verblijfsrechtelijke status van de vreemdeling aan de hand van het verblijfsdocument in samenhang met de verblijfsrechtelijke gegevens in de PIVA (artikelen 22, eerste lid BVVN en artikelen 47 en 48, eerste lid BVVN). Ook onderzoekt de Gouverneur of aan de andere voorwaarden voor de verlening van het Nederlanderschap is voldaan;
- •
als het verblijfsdocument en de PIVA voor de beoordeling van de optieverklaringen of verzoeken om naturalisatie niet of in onvoldoende mate uitsluitsel geven over de duur en de aard van toelating van de vreemdeling:
- •
verzoekt de Gouverneur schriftelijk aan de DIMAS om afgifte van een BOT (artikel 4, eerste lid, BOT). In dit verzoek vermeldt de Gouverneur over welke periode en welke aard van toelating zich het bericht omtrent toelating dient uit te laten (artikel 4, tweede lid, BOT). De DIMAS hoeft dus niet zelf vast te stellen aan welke aard en periode van toelating de vreemdeling(en) in zijn of hun specifieke situatie moet(en) voldoen;
- •
raadpleegt de DIMAS het dossier en het NAVAS en vermeldt de gegevens op het bericht omtrent toelating (modellen 1.32 of 2.18);
- •
geeft de DIMAS een BOT af dat alleen betrekking heeft op de door de Gouverneur genoemde periode;
- •
stuurt de DIMAS het ingevulde bericht omtrent toelating (met een afschrift van een procedure overzicht uit het NAVAS), voorzien van de datum van afgifte, een handtekening van de behandelend ambtenaar en een dienststempel terug naar de Gouverneur.
- •
bij optie: de DIMAS stuurt het ingevulde bericht omtrent toelating (met een afschrift van een procedure overzicht uit het NAVAS), voorzien van de datum van afgifte, een handtekening van de behandelend ambtenaar en een dienststempel terug naar de Gouverneur. De Gouverneur beslist op de optieverklaring met inachtneming van de gegevens in het bericht omtrent toelating (en de andere stukken);
- •
bij naturalisatie: de DIMAS stuurt namens de Minister belast met Vreemdelingenzaken in Aruba een kopie van het verblijfsdocument en het bericht omtrent toelating (met een afschrift van een procedureoverzicht uit het NAVAS), voorzien van de datum van afgifte, een handtekening van de behandelend ambtenaar en een dienststempel, door tussenkomst van de Gouverneur, naar de IND. De IND beslist op het verzoek met inachtneming van de gegevens in het bericht omtrent toelating (en de andere stukken);
- •
Volgens jurisprudentie kan bij twijfel gemotiveerd worden afgeweken van de conclusie van de vreemdelingenautoriteit (DIMAS) of wel of niet sprake is geweest van verschoonbaarheid van een in de vreemdelingenadministratie aanwezig gat tussen de periodes van toelating.
1-1-h. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h
§ 1. Algemeen
In onderstaande paragraaf wordt een nadere uitleg gegeven van het begrip ‘hoofdverblijf’, zoals opgenomen in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN (zie paragraaf 2).
Daarnaast is in de RWN in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder q, RWN het begrip ‘stabiel hoofdverblijf’ opgenomen. De uitleg van het begrip ‘stabiel hoofdverblijf’ en hoe dat vastgesteld kan worden, is opgenomen in de toelichting op artikel 6, eerste lid, aanhef en onder q, RWN, omdat het begrip ‘stabiel hoofdverblijf’ alleen daar van belang is.
§ 2. Hoofdverblijf
Het begrip ‘hoofdverblijf’ heeft een strikt feitelijke betekenis. Het hoofdverblijf van een persoon is de plaats waar hij kennelijk geregeld vertoeft, daar waar hij het centrum van zijn activiteiten heeft. Te denken valt bijvoorbeeld aan de plaats waar een persoon zijn slaapplaats heeft, waar hij werkelijk woont (met zijn gezin) of waar zijn inboedel zich bevindt. Er moet sprake zijn van een meer duurzame betrekking tussen een persoon en een plaats. Een verblijf van voorbijgaande aard heeft geen betekenis.
De vraag welke plaats als het hoofdverblijf van een persoon moet worden aangemerkt is een feitelijke, die aan de hand van verschillende factoren van feitelijke aard wordt beantwoord. Met de wil van de persoon wordt slechts rekening gehouden, voor zover deze blijkt uit zijn gedragingen.
Hoofdverblijf in Aruba kan worden aangenomen als de vreemdeling is ingeschreven in de PIVA, tenzij er indicaties zijn dat de persoon zijn hoofdverblijf buiten Aruba heeft verplaatst.
Indicaties voor verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Aruba zijn onder meer:
- •
uitschrijving uit de PIVA;
- •
de afmelding bij de Belastingdienst wegens vertrek naar het buitenland;
- •
mededeling aan een Arubaanse overheidsinstantie van vertrek naar het buitenland;
- •
het nemen van ontslag bij de werkgever, of bedrijfsbeëindiging;
- •
het opzeggen van een bank- of girorekening;
- •
het laten overmaken van periodieke uitkeringen naar een adres buiten Aruba;
- •
de afkoop van pensioenrechten;
- •
verkoop van de woning of opzegging van de huur;
- •
de ontruiming van de woning in Aruba en het over de grens brengen van de inboedel; en
- •
het (onder)verhuren aan derden van de woning in Aruba.
Deze indicaties zijn niet limitatief. Ook op andere feitelijke gronden kan worden geconcludeerd dat een persoon zijn hoofdverblijf heeft verplaatst.
Vestiging van het hoofdverblijf buiten Aruba wordt in ieder geval aangenomen, indien een persoon:
- •
zich uitgeschreven heeft bij de BBSB en/of zich afgemeld heeft bij de belastingdienst;
- •
meer dan twaalf achtereenvolgende maanden buiten Aruba heeft verbleven (vergelijk artikel 12, aanhef en sub d LTUV), tenzij hij aannemelijk maakt dat de overschrijding van de periode van twaalf maanden het gevolg is van buiten zijn schuld gelegen omstandigheden (te denken valt aan de situatie waarbij de persoon kan aantonen dat de overschrijding van die termijn te wijten is aan een ziekenhuisopname of een natuurramp); of
- •
voor het derde achtereenvolgende jaar meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Aruba heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat het centrum van zijn activiteiten niet naar het buitenland is verlegd.
Vestiging van het hoofdverblijf buiten Aruba wordt niet aangenomen op de enkele grond dat een persoon:
- •
Aruba heeft verlaten voor de vervulling van de militaire dienstplicht en binnen zes maanden na beëindiging van de dienstplicht naar Aruba is teruggekeerd; of
- •
buiten Aruba is gedetineerd dan wel buiten Aruba gedetineerd is geweest en binnen zes maanden na beëindiging van de detentie naar Aruba is teruggekeerd. (Detentie vormt overigens in principe een reden voor intrekking van de vergunning. Er wordt dan immers niet meer voldaan aan één of meer voorwaarden, verbonden aan het verlenen van de vergunning.)
Een vreemdeling wordt geacht zijn hoofdverblijf niet buiten Aruba te hebben gevestigd:
- •
in de periode dat hij arbeid heeft verricht voor een werkgever geregistreerd in Aruba die geheel of gedeeltelijk buiten Aruba heeft plaatsgevonden (aan boord van een Arubaans zeeschip of in de internationale luchtvaart) en hij gedurende die periode in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van die arbeid;
- •
Voor zover van toepassing in Aruba: indien en zolang hij de echtgenoot/partner is van een ambtenaar, bedoeld in artikel 17, eerste lid, juncto artikel 2, tweede lid van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken die uitgezonden is (geweest) naar een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland (deze vreemdeling behoudt niet alleen zijn hoofdverblijf in Aruba, maar behoudt in den regel, mits aan de daarvoor gestelde voorwaarden voldaan blijft, tevens zijn verblijfsrecht in Aruba). Een vereiste is dat de vreemdeling gedurende de periode van uitzending alsook het verblijf in Aruba heeft samengewoond met de echtgenoot/partner. De samenwoning met de Nederlandse partner moet gebeuren op basis van een notarieel samenlevingscontract. Dit volgt uit het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken.
1-2. Toelichting ad artikel 1, tweede lid
Behoudens voor de toepassing van artikel 15A, onder a, van deze rijkswet wordt mede verstaan onder:
- a.
echtgenoot:de partner in een in Nederland geregistreerd partnerschap alsmede de partner in een buiten Nederland geregistreerd partnerschap dat op grond van de artikelen 61 en 62 Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek wordt erkend, en
- b.
huwelijk:het in Nederland geregistreerd partnerschap alsmede het buiten Nederland geregistreerd partnerschap dat op grond van de artikelen 61 en 62 Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek wordt erkend.
Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht geregistreerd partnerschap, die niet van toepassing is in Aruba, vervallen. Vanaf die datum is in Europees Nederland artikel 10:60 BW-NL tot en met artikel 10:91 BW-NL van toepassing. Artikel 10:91 BW-NL bepaalt dat het conflictenrecht van artikel 10-60 BW-NL tot en met artikel 10:91 BW-NL van toepassing is op geregistreerde partnerschappen die vanaf 1 januari 2005 zijn aangegaan.
In het kader van de RWN worden in Europees Nederland geregistreerde partnerschappen gelijkgesteld met een huwelijk. Met ingang van 1 januari 2005 worden buiten Europees Nederland geregistreerde partnerschappen gelijkgesteld met een huwelijk, als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN.
Dit betekent dat op of na 1 januari 2005 voor verkrijging van het Nederlanderschap op gelijke wijze als een huwelijkspartner in aanmerking komt, de partner van een Nederlander als het partnerschap in het buitenland is geregistreerd en op grond van artikel 10:60 BW-NL tot en met artikel 10:91 BW-NL in Europees Nederland wordt erkend.
De nationaliteitsrechtelijke gelijkstelling van het in Europees Nederland geregistreerde partnerschap en het buiten Europees Nederland geregistreerde partnerschap dat in Europees Nederland wordt erkend, geldt voor alle landen van het Koninkrijk. Het zojuist gestelde, neemt niet weg dat (tot 1 januari 2012 de Wet conflictenrecht geregistreerd partnerschap) na 1 januari 2012 artikel 10:60 BW-NL tot en met artikel 10-91 BW-NL alleen in Europees Nederland kan worden toegepast. Dit betekent dus dat (tot 1 januari 2012 de Wet conflictenrecht geregistreerd partnerschap) artikel 10:60 BW-NL tot en met artikel 10-91 BW-NL niet van toepassing is in Aruba.
De gelijkstelling geldt echter niet bij de toepassing van artikel 15A, eerste lid, aanhef en onder a, RWN. Hoofdregel van artikel 15A, RWN is dat het Nederlanderschap verloren gaat door vrijwillige verkrijging van de nationaliteit van een land dat partij is bij het Verdrag van Straatsburg. In een aantal gevallen zal dat verlies echter niet intreden. Zo zal het Nederlanderschap niet verloren gaan als het land, waarvan men de nationaliteit heeft verkregen, ook partij is bij het Tweede Protocol en de betrokkene bovendien getrouwd is met een persoon die de nationaliteit van dat land bezit. Sinds 4 juni 2010 is overigens alleen Nederland partij bij het Tweede Protocol, zodat er in de praktijk geen toepassing aan deze uitzondering wordt gegeven.
Deze uitzondering geldt niet als in plaats van een huwelijk sprake is van een geregistreerd partnerschap. Dat vloeit rechtstreeks voort uit de woorden ‘Behoudens voor de toepassing van artikel 15A, onder a, van deze Rijkswet’ in dit artikellid.
In de toelichting bij artikel 15A, aanhef en onder a, RWN is een en ander verder verduidelijkt; zie aldaar voorbeeld 3, in samenhang met voorbeeld 2.