Einde inhoudsopgave
Wet beëdiging ministers en leden Staten-Generaal
Artikel 2
Geldend
Geldend vanaf 25-03-1992
- Bronpublicatie:
27-02-1992, Stb. 1992, 120 (uitgifte: 24-03-1992, kamerstukken: Staten-Generaal Digitaal: 21208 Overheid.nl: 21208)
- Inwerkingtreding
25-03-1992
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
27-02-1992, Stb. 1992, 120 (uitgifte: 24-03-1992, kamerstukken: Staten-Generaal Digitaal: 21208 Overheid.nl: 21208)
- Overige regelgevende instantie(s)
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Staatsinrichting
Bij de aanvaarding van hun ambt leggen de leden der Staten-Generaal in de vergadering van de kamer waarin zij zijn verkozen, de volgende eden of verklaringen en beloften af:
‘Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot lid van de Staten-Generaal te worden benoemd, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik zweer (verklaar en beloof), dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.
Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, aan het Statuut voor het Koninkrijk en aan de Grondwet.
Ik zweer (beloof) dat ik de plichten die mijn ambt mij oplegt getrouw zal vervullen.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig!’
(Dat verklaar en beloof ik!’).