Einde inhoudsopgave
Besluit bouwwerken leefomgeving - Nota van toelichting
§ 4.2.3 Afscheiding aan een rand van een vloer, trap of hellingbaan
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
Algemeen
Deze paragraaf bevat de regels voor vloerafscheidingen, trapafscheidingen en afscheidingen van hellingbanen. In deze paragraaf zijn de eisen over afscheidingen uit de oude paragraaf 2.3.1 van het Bouwbesluit 2012 opgenomen.
Het doel van deze paragraaf is te voorkomen dat mensen van de rand van een vloer, een trap of een hellingbaan kunnen vallen. In de praktijk worden daarvoor bijvoorbeeld balustrades, hekken of borstweringen geplaatst.
Deze eisen aan een afscheiding aan de rand van een vloer of trap wijken af van regelgeving op grond van de machinerichtlijn (NEN-EN-ISO 14122). Als die regelgeving ook op een bouwwerk of een deel daarvan van toepassing is, gaan die regels boven de regels in dit besluit. Deze rangorde vloeit voort uit artikel 2.9 van dit besluit. Dit betekent in de praktijk bijvoorbeeld dat de regels van dit besluit niet van toepassing zijn op een hekwerk als onderdeel van een beweegbare brug waarop ook een in artikel 2.9 genoemd besluit van toepassing is. Wordt dat zelfde hekje echter geplaatst als afscheiding aan de rand van een dak, dan zijn op dat hekje niet de eisen op grond van de machinerichtlijn van toepassing maar van dit besluit.
Artikel 4.19 (aansturingsartikel)
De functionele eis van het eerste lid, een bouwwerk bevat voorzieningen waardoor het vallen van de rand een vloer door personen zo veel mogelijk wordt voorkomen, is gebaseerd op de oude functionele eis van paragraaf 2.3, afscheiding van vloer, trap en hellingbaan van het Bouwbesluit 2012. De toevoeging ‘door personen’ is bedoeld om het misverstand weg te nemen dat de eisen van deze paragraaf ook bestemd zouden zijn voor het voorkomen van het van een vloer of hellingbaan vallen van voertuigen. De veiligheid voor voertuigen vraagt echter om bijzondere maatregelen die buiten de reikwijdte van dit besluit vallen.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor iedere gebruiksfunctie gelden regels, daarmee is de functionele eis ook op alle gebruiksfuncties van toepassing.
Artikel 4.20 (aanwezigheid afscheiding)
Het doel van dit artikel is aan te geven in welke situaties er voorzieningen aan de rand van een vloer nodig zijn.
Het eerste lid geeft de basisregel voor een vloerafscheiding bij een hoogteverschil tussen de rand van een voor personen bestemde vloer en de aangrenzende vloer, terrein of water. Als het hoogteverschil niet groter is dan 1 m is een vloerafscheiding niet nodig. Bij een valhoogte minder dan 1 m, wordt het risico beperkt geacht.
Een afscheiding mag niet beweegbaar zijn. Daarmee is bedoeld dat deze niet bij het regulier gebruik, zonder hulpmiddelen zoals een schroevendraaier of steeksleutel, zodanig kan worden geopend dat daardoor een valrisico ontstaat.
Het tweede lid geeft een soortgelijke regel voor een trapafscheiding aan de zijkant van een trap. De zijkanten van een trap moeten evenals de randen van een vloer zijn voorzien van een afscheiding. Het zou te ver voeren zo'n afscheiding te verlangen voor een lage trap van bijvoorbeeld vier treden. Daarom is de grens gelegd bij een hoogteverschil van ten minste 1 m. Bij trappen die hoger zijn en dus moeten zijn voorzien van een trapafscheiding is het niet nodig een afscheiding te hebben bij de onderste meter van de trap.
Het derde lid regelt hetzelfde voor een hellingbaan. Uiteraard zal wel over de gehele lengte van de hellingbaan de in artikel 4.32 voorgeschreven geleiderand van ten minste 4 cm hoogte aan de zijkanten van de vloer aanwezig moeten zijn.
Het vierde lid benadrukt dat op de plek waar een trap of een hellingbaan aansluit op de vloer geen vloerafscheiding hoeft te zijn.
In het vijfde lid is aangegeven in welke situaties er, ongeacht het hoogteverschil met de aangrenzende vloer, het terrein of het water geen vloerafscheiding nodig is. Voorbeelden hiervan zijn een podium en een laadperron.
Artikel 4.21 (hoogte afscheiding)
De algemene eis voor de minimale hoogte van een vereiste vloerafscheiding bedraagt krachtens het eerste lid 1 m.
Bij een hoogteverschil tussen een vloer en een aangrenzende vloer, terrein of water van meer dan 13 m is op grond van het tweede lid een vloerafscheiding met een hoogte van ten minste 1,2 m voorgeschreven.
Het derde lid bevat in afwijking van de voorgaande leden een lagere minimumeis (0,85 m) voor afscheidingen (borstweringen) ter plaatse van een raam. De reden hiervoor is dat een raam een zekere bescherming biedt tegen vallen. Bij een raam moet altijd een vaste vloerafscheiding aanwezig zijn met een hoogte van ten minste 0,85 m. Om het misverstand weg te nemen dat de hoogte van ten minste 0,85 meter alleen zou gelden bij een niet te openen raam, wordt in de artikeltekst gesproken van een wel of niet-beweegbaar raam.
Het moeten hebben van een vaste borstwering geldt niet voor een raam op de begane grond, als het hoogteverschil met het aansluitende terrein kleiner is dan 1 m. (zie artikel 4.19, eerste lid).
Op grond van het vierde lid kan met een hoogte van 70 cm worden volstaan, als de hoogte en de breedte van de afscheiding opgeteld ten minste 110 cm zijn. Dit betekent dat de afscheiding in dit geval een breedte van ten minste 40 cm moet hebben. De minimale som van 110 cm voor breedte en hoogte geeft voldoende waarborg dat iemand die tegen de afscheiding valt niet daaroverheen slaat. Die regel biedt de mogelijkheid bij bijvoorbeeld theaters en sporthallen de hinder voor het uitzicht te beperken.
Het vijfde lid heeft betrekking op de hoogte van de afscheiding naast een trap of een hellingbaan en schrijft een minimumhoogte voor van 0,85 m. Bij een trap moet de hoogte worden gemeten vanaf de voorkant van de tredevlakken en bij een hellingbaan net als bij een reguliere vloer, de hoogte boven de vloer.
Artikel 4.22 (openingen afscheiding)
Dit artikel heeft betrekking op openingen in de voorgeschreven afscheiding zelf.
Het eerste lid geeft de basisregel voor de openingen die zijn toegestaan in een vloerafscheiding. Om dit eenvoudig te kunnen bepalen wordt de toelaatbare opening bepaald aan de hand van een bol met de in de tabel opgenomen doorsnede. Als die bol door de opening past, dan is de opening te groot.
Het tweede lid geeft een nadere eis voor de eerste 0,7 m boven de vloer. De systematiek is hetzelfde als bij het eerste lid, ‘geen opening waardoor een bol kan passeren met een doorsnede’. Verder is in de regel verduidelijkt dat het gaat om de hoogte boven elke vloer en elk tredevlak. Ook een vloer van een hellingbaan is een vloer als bedoeld in dit besluit.
Een vloerafscheiding mag volgens het derde lid zijwaarts op enige afstand van de rand van de vloer zijn geplaatst. De opening tussen de rand van de vloer en de afscheiding is aan regels gebonden om te voorkomen dat mensen door zo'n opening vallen of erin bekneld raken te voorkomen.
De bovenregel van een afscheiding mag onderbroken zijn. Het vierde lid stelt dat die onderbrekingen niet zodanig groot mogen zijn dat personen daar doorheen kunnen vallen.
Uit het vijfde lid volgt dat de eisen van het tweede lid niet van toepassing zijn op vloerafscheidingen in een gedeelte van een gebouw dat niet is bestemd voor kinderen jonger dan 12 jaar. Dit vijfde lid wordt in de tabel daarom niet aangestuurd voor die gebruiksfuncties waar altijd kinderen jonger dan 12 jaar te verwachten zijn (zoals bij kinderopvang en basisscholen). Bij die gebruiksfuncties moet dus worden voldaan aan de met name op kinderen gerichte eisen aan de maximale omvang van openingen in afscheidingen als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 4.23 (voorkomen overklauteren)
Het doel van het eerste lid is zoveel mogelijk te voorkomen dat kleine kinderen in een onbewaakt ogenblik over een vloerafscheiding kunnen klimmen. Tussen de 0,2 m en 0,7 m boven een vloer of een tredevlak mag een afscheiding geen opstapmogelijkheden hebben. Er mag dus in de vloerafscheiding bijvoorbeeld geen horizontaal vlak zijn waarop een kindervoetje past. Ook een hellingbaanvloer is een vloer waarop deze regel van toepassing is. De regel richt zich op het voorkomen van opstapmogelijkheden in constructieonderdelen en niet op onderdelen van de inrichting zoals meubilair. Het eerste lid geldt voor alle gebruiksfuncties met uitzondering van de industriefunctie en bouwwerken geen gebouw zijnde.
Het eerste lid heeft niet alleen betrekking op constructieonderdelen van de vloerafscheiding zelf maar ook op andere constructieonderdelen en bouwwerkinstallaties of bouwwerkinstallatieonderdelen die aan (tegen) of naast de vloerafscheiding zijn geplaatst. Een voorbeeld van een bouwwerkinstallatieonderdeel die vaak onder een raam tegen de borstwering wordt aangetroffen is een radiator van de centrale verwarming. Ook deze bouwwerkinstallatieonderdelen mogen, bijvoorbeeld als ze worden geplaatst onder een raamopening, geen opstapmogelijkheid bieden voor kinderen.
Het tweede lid heeft als strekking dat de eisen van het eerste lid niet van toepassing zijn op vloerafscheidingen in een gedeelte van een gebouw dat niet is bestemd voor kinderen jonger dan 12 jaar. Deze uitzonderingsmogelijkheden worden daarom niet aangestuurd voor die gebruiksfuncties waar altijd kinderen jonger dan 12 jaar te verwachten zijn (zoals bij kinderopvang en basisscholen). Alle ruimten in die gebruiksfuncties moeten dus voldoen aan deze anti-overklauterbaarheidseisen.