Einde inhoudsopgave
Verordening (EU) 2018/1806 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld
Artikel 8 septies
Geldend
Geldend vanaf 30-12-2025
- Bronpublicatie:
26-11-2025, PbEU L 2025, 2025/2441 (uitgifte: 10-12-2025, regelingnummer: 2025/2441)
- Inwerkingtreding
30-12-2025
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
26-11-2025, PbEU L 2025, 2025/2441 (uitgifte: 10-12-2025, regelingnummer: 2025/2441)
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht / Algemeen
Internationaal publiekrecht / Vrij verkeer
1.
Indien de omstandigheden die de in artikel 8 bis, lid 1, bedoelde relevante gronden voor opschorting vormen, blijven bestaan ten aanzien van een derde land waarvan de onderdanen onder een op grond van artikel 8 sexies, lid 1 of lid 5, vastgestelde uitvoeringshandeling vallen, stelt de Commissie uiterlijk twee maanden vóór het verstrijken van de in de uitvoeringshandeling vastgestelde opschortingsperiode van twaalf maanden een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 10 vast tot wijziging van bijlage II om de toepassing van die bijlage tijdelijk op te schorten voor een periode van 24 maanden voor alle onderdanen van dat derde land.
2.
In afwijking van lid 1 van dit artikel, kan de Commissie, indien de in artikel 8 sexies, lid 1 of lid 5, bedoelde uitvoeringshandeling die betrekking heeft op de onderdanen van het betrokken derde land, vastgesteld werd op de in artikel 8 bis, lid 1, punt g), genoemde grond, met betrekking tot de niet-naleving van specifieke vereisten inzake externe betrekkingen of grondrechten, of op de in artikel 8 bis, lid 1, punt h), genoemde grond, door middel van een gedelegeerde handeling zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel, de toepasselijkheid van bijlage II tijdelijk opschorten voor een periode van 24 maanden voor bepaalde categorieën onderdanen van dat derde land die zijn aangewezen overeenkomstig de in artikel 8 sexies, lid 3, neergelegde beginselen.
3.
De in lid 1 bedoelde wijziging wordt aangebracht door naast de naam van het betrokken derde land een voetnoot in te voegen, waarin staat dat de vrijstelling van de visumplicht wordt opgeschort met betrekking tot dat derde land en waarin de termijn van die opschorting wordt vermeld en, indien van toepassing, de aangewezen categorieën onderdanen van dat derde land waarop de opschorting van toepassing is. De gedelegeerde handeling treedt in werking vanaf het einde van de toepassingsperiode van de in artikel 8 sexies, lid 1 of lid 5, bedoelde relevante uitvoeringshandeling.
Artikel 8 sexies, lid 7, is van overeenkomstige toepassing.
4.
Onverminderd artikel 6 en lid 3, tweede alinea, van dit artikel wordt, tijdens de periode van opschorting, aan de onderdanen van het derde land waarop een op grond van lid 1 van dit artikel vastgestelde uitvoeringshandeling van toepassing is, voorgeschreven in het bezit te zijn van een visum bij het overschrijden van de buitengrenzen van de lidstaten.
5.
Onverminderd artikel 8 sexies, lid 7, deelt een lidstaat die op grond van artikel 6 maatregelen neemt die voorzien in nieuwe uitzonderingen op de visumplicht voor een categorie onderdanen van het derde land waarop een op grond van lid 1 van dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling van toepassing is, die maatregelen mee overeenkomstig artikel 12.
6.
Vóór het verstrijken van de toepassingsperiode van een op grond van lid 1 vastgestelde gedelegeerde handeling dient de Commissie een verslag in bij het Europees Parlement en bij de Raad over de tijdelijke toepassing van de opschorting van de vrijstelling van de visumplicht, over de dialoog tussen de Commissie en het betrokken derde land en over de maatregelen die zijn genomen om de omstandigheden te verhelpen die tot de tijdelijke opschorting van de visumvrijstelling hebben geleid
In de eerste alinea bedoelde verslagen kunnen vergezeld gaan van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening teneinde de verwijzing naar het betrokken derde land over te hevelen van bijlage II naar bijlage I. In dat geval stelt de Commissie overeenkomstig artikel 10 een gedelegeerde handeling vast tot wijziging van bijlage II om de periode van opschorting van de vrijstelling van de visumplicht die is vastgesteld in de op grond van lid 1 van dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling te verlengen tot de inwerkingtreding van de wijziging waarbij de verwijzing naar het betrokken derde land naar bijlage I wordt overgeheveld. Die verlenging mag niet langer duren dan 24 maanden. De voetnoot bij de verwijzing wordt dienovereenkomstig gewijzigd.
Indien er vanwege de aanhoudende aard van de omstandigheden die de in artikel 8 bis, lid 1, punt g), genoemde gronden voor opschorting vormen, met betrekking tot de niet-naleving van specifieke vereisten inzake externe betrekkingen of grondrechten, of van de omstandigheden die de in artikel 8 bis, lid 1, punt h), genoemde gronden voor opschorting vormen, een op grond van lid 1 van dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling op grond van lid 2 van dit artikel werd toegepast op onderdanen van een derde land die in het bezit zijn van diplomatieke paspoorten, dienst-/officiële paspoorten of speciale paspoorten, kan de Commissie in het verslag over die gedelegeerde handeling aangeven dat er behoefte is aan de vaststelling van een verdere gedelegeerde handeling om de opschortingsperiode met nog eens 24 maanden te verlengen. In dat geval zijn de eerste en de tweede alinea van dit lid van overeenkomstige toepassing.
7.
Indien de omstandigheden die tot de tijdelijke opschorting van de vrijstelling van de visumplicht hebben geleid, worden verholpen vóór het einde van de toepassingsperiode van een overeenkomstig lid 1 of lid 5 van dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 10 een gedelegeerde handeling vast tot wijziging van bijlage II om de tijdelijke opschorting op te heffen.