Einde inhoudsopgave
Besluit voorkoming dubbele belasting 2001
Artikel 25ad Vermindering belasting bij buitenlands voordeel uit sparen en beleggen bij toepassing tegenbewijsregeling
Geldend
Geldend vanaf 12-12-2025. Let op: treedt met terugwerkende kracht in werking vanaf 01-01-2023
- Bronpublicatie:
04-12-2025, Stb. 2025, 425 (uitgifte: 11-12-2025, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
12-12-2025, terugwerkend tot: 01-01-2023
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
04-12-2025, Stb. 2025, 425 (uitgifte: 11-12-2025, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
1.
De vrijstelling voor buitenlands voordeel uit sparen en beleggen, bedoeld in artikel 25ab, wordt toegepast door een vermindering te verlenen op de verschuldigde inkomstenbelasting.
2.
De vermindering, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan het bedrag dat tot de belasting die zonder de toepassing van dit besluit volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als het werkelijke rendement van de bezittingen in het buitenland en de schulden in verband met die bezittingen staat tot het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. De vermindering kan, met inachtneming van de verminderingen volgens andere regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, niet meer bedragen dan de belasting die zonder de toepassing van dit besluit volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn.
3.
Onder de belasting die zonder de toepassing van dit besluit volgens de Wet inkomstenbelasting 2001 verschuldigd zou zijn over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen wordt verstaan: de over het kalenderjaar berekende belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
4.
In afwijking van het tweede lid wordt, indien het inkomen van een belastingplichtige hoofdzakelijk uit een Mogendheid afkomstig is en die Mogendheid bij de belastingheffing van het inkomen de persoonlijke- en gezinssituatie van de belastingplichtige volledig in aanmerking neemt, of op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gehouden is de persoonlijke- en gezinssituatie volledig in aanmerking te nemen, het belastbare inkomen uit sparen en beleggen vermeerderd met de in het jaar in mindering gebrachte persoonsgebonden aftrek. De vorige zin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een Mogendheid, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die als zij een zodanige lidstaat zou zijn, gehouden zou zijn om op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de persoonlijke- en gezinssituatie volledig in aanmerking te nemen.