Einde inhoudsopgave
Instellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Artikel 3 Instelling en taak
Geldend
Geldend vanaf 01-01-2026
- Bronpublicatie:
19-11-2025, Stcrt. 2025, 40247 (uitgifte: 01-12-2025, regelingnummer: 2025-0000541407)
- Inwerkingtreding
01-01-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
19-11-2025, Stcrt. 2025, 40247 (uitgifte: 01-12-2025, regelingnummer: 2025-0000541407)
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Sociale zekerheid kinderen en jongeren / Kinderopvang
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
1.
Er is een Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen.
2.
De adviescommissie heeft tot taak:
- a.
het adviseren van de Dienst Toeslagen over bezwaren tegen beschikkingen die gegeven zijn op grond van de artikelen 2.1, 2.4 tot en met 2.6 en 2.9, eerste lid, van de wet;
- b.
het horen van een belanghebbende van een voorgelegd bezwaar, indien dat door de adviescommissie nodig wordt geacht.
3.
De adviescommissie brengt in ieder geval geen advies uit over een bezwaar, indien:
- a.
er naar het oordeel van de Dienst Toeslagen geen sprake is van een rechtsvraag met principiële betekenis voor soortgelijke gevallen en de belanghebbende en de Dienst Toeslagen overeengekomen zijn dat het bezwaar niet wordt voorgelegd ter advies aan de adviescommissie;
- b.
de beslissing op het bezwaar naar het oordeel van de Dienst Toeslagen strekt tot kennelijk niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar;
- c.
de beslissing op het bezwaar naar het oordeel van de Dienst Toeslagen strekt tot kennelijk ongegrondverklaring van het bezwaar;
- d.
bij de beslissing op het bezwaar volledig aan het bezwaar van de belanghebbende tegemoet wordt gekomen;
- e.
de beslissing op het bezwaar en de motivering ervan naar het oordeel van de Dienst Toeslagen evident in lijn is met eerdere adviezen van de adviescommissie; of
- f.
het een bezwaar betreft tegen een beschikking waarin uitsluitend de rente, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, van de wet, of de rentevergoeding, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel g, van de wet, en de daarover berekende bedragen, bedoeld in artikel 2.3, derde, zevende en achtste lid, van de wet, worden vastgesteld.