Einde inhoudsopgave
Richtlijn (EU) 2024/1760 inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid en tot wijziging van richtlijn (EU) 2019/1937 en verordening (EU) 2023/2859
Artikel 25 Bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteiten
Geldend
Geldend vanaf 18-03-2026
- Bronpublicatie:
24-02-2026, PbEU L 2026, 2026/470 (uitgifte: 26-02-2026, regelingnummer: 2026/470)
- Inwerkingtreding
18-03-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
24-02-2026, PbEU L 2026, 2026/470 (uitgifte: 26-02-2026, regelingnummer: 2026/470)
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
1.
De lidstaten zorgen ervoor dat de toezichthoudende autoriteiten over passende bevoegdheden en middelen beschikken om de hun uit hoofde van deze richtlijn toevertrouwde taken uit te voeren, met inbegrip van de bevoegdheid om van ondernemingen te vereisen dat zij informatie verstrekken en om onderzoeken te verrichten met betrekking tot de nakoming van de in de artikelen 7 tot en met 16 vastgelegde verplichtingen.
2.
Een toezichthoudende autoriteit kan uit eigen beweging of naar aanleiding van gemotiveerde bezwaren die haar op grond van artikel 26 zijn meegedeeld, een onderzoek openen wanneer zij van oordeel is dat zij over voldoende informatie beschikt die wijst op een mogelijke inbreuk door een onderneming op de verplichtingen die in de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationaalrechtelijke bepalingen zijn vervat.
3.
Inspecties worden uitgevoerd met inachtneming van het nationale recht van de lidstaat waar zij plaatsvinden en worden vooraf aan de onderneming meegedeeld, tenzij voorafgaande kennisgeving de doeltreffendheid van de inspectie zou belemmeren. Wanneer een toezichthoudende autoriteit in het kader van haar onderzoek een inspectie wenst uit te voeren op het grondgebied van een andere dan haar eigen lidstaat, vraagt zij op grond van artikel 28, lid 3, om bijstand van de toezichthoudende autoriteit in die lidstaat.
4.
Indien een toezichthoudende autoriteit op basis van de op grond van de leden 1 en 2 genomen maatregelen vaststelt dat de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationaalrechtelijke bepalingen niet worden nageleefd, geeft zij de betrokken onderneming een passende termijn om corrigerende maatregelen te nemen, indien dergelijke maatregelen mogelijk zijn.
Het nemen van corrigerende maatregelen sluit het opleggen van sancties of het doen ontstaan van wettelijke aansprakelijkheid, overeenkomstig respectievelijk de artikelen 27 en 29, niet uit.
5.
Bij de uitvoering van hun taken beschikken de toezichthoudende autoriteiten ten minste over de bevoegdheid om:
- a)
de onderneming te gelasten:
- i)
inbreuken op de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationaalrechtelijke bepalingen te beëindigen door ofwel een handeling te verrichten ofwel een gedraging te beëindigen;
- ii)
de gedraging in kwestie niet te herhalen, en
- iii)
in voorkomend geval, herstel te bieden dat in verhouding staat tot de inbreuk en noodzakelijk is om een einde aan de inbreuk te maken;
- b)
sancties op te leggen overeenkomstig artikel 27, en
- c)
voorlopige maatregelen vast te stellen in geval van een dreigend risico op ernstige en onherstelbare schade.
6.
De toezichthoudende autoriteiten oefenen de in dit artikel bedoelde bevoegdheden uit overeenkomstig het nationale recht:
- a)
rechtstreeks;
- b)
in samenwerking met andere autoriteiten, of
- c)
middels een verzoek aan de bevoegde rechterlijke instanties, die waarborgen dat rechtsmiddelen doeltreffend zijn en hetzelfde effect hebben als de rechtstreeks door toezichthoudende autoriteiten opgelegde sancties.
7.
De lidstaten zorgen ervoor dat elke natuurlijke of rechtspersoon het recht heeft om een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen tegen een hem betreffend juridisch bindend besluit van een toezichthoudende autoriteit, in overeenstemming met het nationale recht.
8.
De lidstaten garanderen dat de toezichthoudende autoriteiten dossiers bijhouden over de in lid 1 bedoelde onderzoeken, waarin met name de aard en de resultaten van de onderzoeken worden vermeld, alsook dossiers over alle op grond van lid 5 genomen handhavingsmaatregelen.
9.
De besluiten van toezichthoudende autoriteiten met betrekking tot de naleving door een onderneming van de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationaalrechtelijke bepalingen doen geen afbreuk aan de wettelijke aansprakelijkheid van de onderneming krachtens artikel 29.