Einde inhoudsopgave
Procesreglement bestuursrecht rechtbanken
Artikel 2.4 Herstel van een verzuim en opvragen machtiging (de artikelen 6:5, 6:6 en 8:24 van de Awb)
Geldend
Geldend vanaf 01-07-2025
- Redactionele toelichting
De datum van afkondiging is de datum van de Staatscourant.
- Bronpublicatie:
30-06-2025, Stcrt. 2025, 20750 (uitgifte: 30-06-2025, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
01-07-2025
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
30-06-2025, Stcrt. 2025, 20750 (uitgifte: 30-06-2025, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Vreemdelingenrecht / Vreemdelingenprocesrecht
Bestuursprocesrecht / Algemeen
1.
De rechtbank die vaststelt dat sprake is van een herstelbaar verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, stelt een indiener van een beroepschrift in de gelegenheid binnen vier weken het verzuim te herstellen.
2.
Als de rechtbank van een gemachtigde een machtiging verlangt, geeft zij die gemachtigde een termijn van vier weken om de machtiging in te zenden.
3.
Als de rechtbank in een met het beroep samenhangende voorlopige- voorzieningsprocedure toepassing geeft aan het eerste of tweede lid van dit artikel kan zij aan de indiener van het beroepschrift die ook de indiener van het verzoekschrift is, een termijn stellen die gelijk is aan die in de voorlopige voorziening.
4.
De rechtbank verklaart een beroep wegens een verzuim als bedoeld in het eerste lid of het niet voldoen aan het tweede lid van dit artikel alleen niet-ontvankelijk, als:
- a.
de partij op papier procedeert de uitnodiging om het verzuim te herstellen bij aangetekende brief is verzonden of op een andere manier vaststaat dat de uitnodiging is ontvangen,
- b.
in de uitnodiging is meegedeeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het verzuim niet binnen de gestelde termijn is hersteld en het verzuim niet verschoonbaar is, en
- c.
binnen de termijn geen herstel heeft plaatsgevonden en dit verzuim niet verschoonbaar is.
5.
Bij de toezending per gewone brief nadat de aangetekende brief is terugontvangen als bedoeld in artikel 8:38, eerste lid, van de Awb, verlengt de rechtbank de in de aangetekende brief gestelde termijn niet.