Einde inhoudsopgave
Wet kinderopvang BES
Artikel 3.2 Verstrekken kinderopvangvergoeding
Geldend
Geldend vanaf 01-01-2026
- Redactionele toelichting
De zinsnede 'of flexibele opvang' in lid 1, aanhef, lid 1, onderdeel f, en lid 2, onderdeel c zijn nog niet in werking getreden.
- Bronpublicatie:
22-05-2024, Stb. 2024, 140 (uitgifte: 04-06-2024, kamerstukken: 36306)
- Inwerkingtreding
01-01-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
05-12-2025, Stb. 2025, 429 (uitgifte: 11-12-2025, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Overige regelgevende instantie(s)
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Vakgebied(en)
Sociale zekerheid kinderen en jongeren / Kinderopvang
Jeugdbeleid / Kinderopvang
1.
Onze Minister verstrekt op aanvraag een kinderopvangvergoeding aan een houder van een kindercentrum of een gastouder voor de kosten van dagopvang, buitenschoolse opvang of flexibele opvang van een kind in dat kindercentrum of die voorziening voor gastouderopvang, indien:
- a.
aan die houder of gastouder een exploitatievergunning is verleend;
- b.
een kinderopvangovereenkomst is gesloten en gedurende de duur van de overeenkomst gebruik wordt gemaakt van kinderopvang;
- c.
de houder of de gastouder maandelijks de ouderbijdrage in rekening brengt;
- d.
bij de ouder geen bijdrage in rekening wordt gebracht anders dan de ouderbijdrage;
- e.
de ouder en het kind als ingezetene staan ingeschreven bij het openbaar lichaam waar de kinderopvang plaatsvindt;
- f.
nog niet in werking;
- g.
het structurele kinderopvang betreft.
2.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid kan betrekking hebben op de volgende periode:
- a.
voor dagopvang tot en met de laatste dag van de maand waarin het kind vier jaar wordt;
- b.
voor buitenschoolse opvang vanaf de eerste dag na de maand waarin het kind vier jaar is geworden tot en met de laatste dag van de maand waarin het kind naar het voortgezet onderwijs gaat;
- c.
nog niet in werking.
3.
Onze Minister kan een kinderopvangvergoeding verstrekken voor de opvang van een kind waarbij niet is voldaan aan het eerste lid, onderdeel e, of het tweede lid, indien het bestuurscollege dat in het belang van het kind adviseert.
4.
Het eerste lid is niet van toepassing, indien de ouder of de partner van de ouder van het kind gastouder is en de kinderopvangvergoeding wordt aangevraagd voor de kosten van gastouderopvang door die ouder of partner.
5.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid.