Einde inhoudsopgave
Regeling Europese EZ-, LVVN- en KGG-subsidies 2021
Artikel 5.6.2 Subsidieverlening
Geldend
Geldend van 01-05-2026 tot 01-04-2028
- Bronpublicatie:
07-03-2026, Stcrt. 2026, 9527 (uitgifte: 12-03-2026, regelingnummer: WJZ/101410909)
- Inwerkingtreding
01-05-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
07-03-2026, Stcrt. 2026, 9527 (uitgifte: 12-03-2026, regelingnummer: WJZ/101410909)
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Bestuursrecht algemeen / Subsidie
1.
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan de operationele groep voor een project dat bestaat uit het ontwikkelen van innovatieve initiatieven die bijdragen aan de transitie naar een duurzame en toekomstbestendige landbouw en de uitwisseling van kennis hierover.
2.
In afwijking van het eerste lid, verstrekt de minister enkel subsidie voor een project dat is gericht op de categorie, bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, aan een operationele groep die bestaat uit ten minste vijf varkenshouders, een slachterij en een afzetkanaal van producten uit de varkenshouderij. Een varkenshouder die varkens, niet zijnde biggen, of enkel biggen houdt, kan enkel deelnemen aan een operationele groep indien de eerste type houder biggen afneemt van de laatste type houder en beide houders deelnemen aan dezelfde operationele groep.
3.
In afwijking van het eerste lid, verstrekt de minister enkel subsidie voor een project dat is gericht op de categorie, bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, aan een operationele groep die bestaat uit ten minste één jonge landbouwer, potentiële jonge landbouwer of nieuwe landbouwer.
4.
Het project bestaat uit:
- a.
de voorbereiding op de uitvoering van het projectplan, en
- b.
de uitvoering van het projectplan.
5.
Het project draagt bij aan een of meer van de doelstellingen bedoeld in artikel 6, eerste lid, en aan de doelstelling, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van verordening 2021/2115.
6.
Het project is gericht op één van de volgende categorieën van activiteiten:
- a.
Het aantrekken en behouden van jonge landbouwers, potentiële jonge landbouwers en nieuwe landbouwers en bevordering van duurzame bedrijfsontwikkeling in plattelandsgebieden;
- b.
Het minder toepassen van het verwijderen van een deel van de staart bij biggen in de varkenshouderij in de in artikel 2.3, onderdeel b, van het Besluit diergeneeskundigen, bedoelde situatie en naar aanleiding hiervan het opdoen van ervaring voor het opstellen van een nieuwe ecoregeling als bedoeld in artikel 31 van verordening 2021/2115;
- c.
Het uitwerken van een ontwerp voor het opzetten van een gebiedsgerichte fieldlab;
- d.
Het ontwikkelen van andere innovaties die bijdragen aan de doelstellingen, bedoeld in het vijfde lid;
- e.
Het op orde brengen van digitale randvoorwaarden om digitale innovaties in de agrarische bedrijfsvoering en landbouwrobots te kunnen ontwikkelen of implementeren, om bij te dragen aan het versterken en versnellen van de groene transitie en het reduceren van arbeidsmarkttekorten door middel van een grotere inzet van digitalisering en landbouwrobots voor een toekomstbestendig landbouw- en voedselsysteem en een robuuste natuur;
- f.
Het experimenteren met het vermarkten van dierlijke producten die zijn geproduceerd op een veehouderij waar maatregelen worden toepast gericht op het bereiken van een dierwaardige veehouderij binnen één van de volgende sectoren:
- 1°
Legkippen, opfoklegkippen, vleeskuikens, of ouderdieren;
- 2°
Varkens;
- 3°
Rundvee;
- g.
het formuleren van een plan voor de doorontwikkeling van de eco-regeling, gericht op toekomstbestendige landbouw, waarbij de in het plan opgenomen maatregelen op bedrijfsniveau bijdragen aan het verlagen van de administratieve lasten voor landbouwers en ten minste één van de volgende doelen:
- 1°
waterweerbaarheid en aanpassing aan klimaatverandering;
- 2°
beperking van klimaatverandering;
- 3°
bodemgezondheid;
- 4°
behoud van biodiversiteit;
- 5°
ontwikkeling van biologische landbouw;
- 6°
diergezondheid of dierenwelzijn.
7.
Voor zover aan de operationele groep anderen dan landbouwers deelnemen bevat de subsidie, bedoeld in het eerste lid, staatssteun en wordt zij gerechtvaardigd door artikel 40 van de landbouwvrijstellingsverordening.
8.
Een jonge landbouwer, potentiële jonge landbouwer en nieuwe landbouwer beschikken voor de toepassing van deze titel over een passende opleiding of passende vaardigheden als bedoeld in artikel 5.1.1, eerste lid, indien deze beschikt over:
- a.
een diploma of een getuigschrift van een opleiding landbouw, tuinbouw of aanverwant op het niveau middelbaar beroepsonderwijs of hoger onderwijs; of
- b.
een bewijs van ten minste twee jaar aantoonbare ervaring met land- en tuinbouwproductie, op het tijdstip van de subsidieaanvraag, tellend vanaf het moment dat de leeftijd van 16 jaar is bereikt.
9.
Een jonge landbouwer is bedrijfshoofd als bedoeld in artikel 5.1.1, eerste lid, en een nieuwe landbouwer is bedrijfshoofd als bedoeld in artikel 5.6.1, indien deze op de datum van indiening van de aanvraag:
- a.
voor ten minste 50 procent zeggenschap heeft in een landbouwbedrijf;
- b.
als natuurlijk persoon daadwerkelijke langdurige zeggenschap heeft in een landbouwbedrijf als bedoeld in artikel 16 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 dat, behoudens de datum, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, van overeenkomstige toepassing is; en
- c.
minimaal het aantal uren per kalenderjaar, genoemd in artikel 3.6, eerste lid, aanhef, van de Wet inkomstenbelasting 2021[lees: Wet inkomstenbelasting 2001], werkzaam is in het bedrijf.
10.
Van de 50 procent zeggenschap, bedoeld in het negende lid, onderdeel a, is sprake, ingeval een jonge landbouwer en nieuwe landbouwer:
- a.
ten minste 50 procent van een bedrijf juridisch in eigendom of onder het recht van reguliere pacht of erfpacht heeft; of
- b.
ten minste 50 procent van de aandelen bezit in geval van een naamloze vennootschap of besloten vennootschap.
11.
In afwijking van het eerste lid, verstrekt de minister enkel subsidie voor een project dat gericht is op de categorie, bedoeld in het zesde lid, onderdeel f, aan een operationele groep die bestaat uit ten minste één veehouderij en ten minste één afzetkanaal.
12.
Indien aan het landbouwbedrijf meerdere jonge landbouwers of nieuwe landbouwers als bedrijfshoofd deelnemen, dan hebben de jonge landbouwers of nieuwe landbouwers individueel de vereiste daadwerkelijke langdurige zeggenschap, bedoeld in het negende lid, onderdeel b, en gezamenlijk ten minste het percentage van de zeggenschap, bedoeld in het negende lid, onderdeel a.
13.
In afwijking van het eerste lid verstrekt de minister enkel subsidie voor een project dat is gericht op de categorie, bedoeld in het zesde lid, onderdeel g, aan een operationele groep die bestaat uit ten minste twee landbouwers die geen onderdeel uitmaken van een agrarisch collectief en ten minste één agrarisch collectief.