Einde inhoudsopgave
Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel
Artikel 14 Verblijfsvergunning
Geldend
Geldend vanaf 01-02-2008
- Bronpublicatie:
16-05-2005, Trb. 2006, 99 (uitgifte: 12-05-2006, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
01-02-2008
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
25-05-2010, Trb. 2010, 160 (uitgifte: 25-05-2010, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Verdragenrecht
Materieel strafrecht / Algemeen
1.
Elke Partij geeft een verlengbare verblijfsvergunning af aan slachtoffers, in een of beide van de volgende situaties:
- a.
de bevoegde autoriteit is van oordeel dat hun verblijf vanwege hun persoonlijke situatie noodzakelijk is;
- b.
de bevoegde autoriteit is van oordeel dat hun verblijf noodzakelijk is met het oog op hun samenwerking met de bevoegde autoriteiten bij het onderzoek of de strafrechtelijke procedure.
2.
De verblijfsvergunning voor kinderen die slachtoffer zijn, wordt, indien de wet zulks vereist, afgegeven in overeenstemming met het belang van het kind en wordt, wanneer van toepassing, onder dezelfde voorwaarden verlengd.
3.
Op het niet-verlengen of intrekken van een verblijfsvergunning zijn de voorwaarden, voorzien in het nationale recht van de Partij, van toepassing.
4.
Indien een slachtoffer een aanvraag indient voor een ander soort verblijfsvergunning, houdt de desbetreffende Partij rekening met het feit dat hij of zij in het bezit is, of was, van een verblijfsvergunning overeenkomstig het eerste lid.
5.
Gelet op de verplichtingen van de Partijen waarnaar in artikel 40 van dit Verdrag wordt verwezen, waarborgt elke Partij dat het toekennen van een vergunning overeenkomstig deze bepaling het recht om asiel te zoeken en te genieten onverlet laat.