Einde inhoudsopgave
Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
Bijlage 4.2.16
Geldend
Geldend van 25-04-2026 tot 01-01-2028
- Bronpublicatie:
18-04-2026, Stcrt. 2026, 15135 (uitgifte: 24-04-2026, regelingnummer: WJZ/103744709)
- Inwerkingtreding
25-04-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
18-04-2026, Stcrt. 2026, 15135 (uitgifte: 24-04-2026, regelingnummer: WJZ/103744709)
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Bestuursrecht algemeen / Bijzondere onderwerpen bestuursrecht
behorende bij artikel 4.2.113 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies (Studies voor duurzame industrie (STUDI))
1. Doel
Het algemene doel van de subsidiemodule Studies voor duurzame industrie (STUDI) is het ondersteunen van studies naar de haalbaarheid van pilotprojecten, demonstratieprojecten of projecten met uitontwikkelde technologie die bijdragen aan het kosteneffectief reduceren van de CO2-emissies in industriële processen binnen tien jaar na de afloop van de studie in de industrie in Nederland.
Met behulp van een haalbaarheidsstudie, milieustudie of vergelijkbare studie kan worden besloten om te starten met een pilotproject, demonstratieproject of een project met betrekking tot uitontwikkelde technologie of verder te gaan naar de volgende fase van detailed engineering en constructie in voorbereiding op een dergelijk project.
Te onderzoeken project | ||||
Pilotproject | Demonstratieproject | Project met uitontwikkelde technologie | ||
Type studie | Haalbaarheidsstudie (art. 25 AGVV) | X | ||
Milieustudie (art. 49 AGVV) | X | X | ||
Vergelijkbare studie (de-minimis) | X | X | ||
De studies binnen deze programmalijnen bestaan in hoofdzaak uit bureaustudie, zoals literatuuronderzoek, marktverkenning, concurrentieanalyse, juridisch haalbaarheidsonderzoek, pre-engineering en onderdelen van Front End Engineering Design (FEED).
Onder de CO2-reductiedoelstelling van deze subsidiemodule valt ook:
- •
het vermijden van toekomstige CO2-emissie als gevolg van een investering in nieuw te realiseren fabrieken met activiteiten die nieuw zijn in Nederland, ten opzichte van de CO2-emissie die het gevolg zou zijn van een gangbare, minder duurzame referentie-investering. Daarbij dient de opgevoerde referentie-investering te voldoen aan de minimale milieustandaarden die in Nederland gelden;
- •
het afvangen van atmosferische of biogene CO2 om vervolgens in te zetten in de glastuinbouw, de productie van synthetische brandstoffen of de permanente of langdurige vastlegging van die CO2;
- •
het produceren van:
- ○
groen gas door middel van vergassing van reststromen;
- ○
duurzame transportbrandstoffen;
- •
het produceren en importeren van hernieuwbare waterstof(dragers) voor de industrie en mobiliteit.
Onder de reikwijdte van de doelstelling vallen geen studies voor pilotprojecten, demonstratieprojecten of projecten met uitontwikkelde technologie die investeringen betreffen in milieubescherming als bedoeld in artikel 36 van de algemene groepsvrijstellingsverordening of energie-efficiëntiemaatregelen anders dan in gebouwen als bedoeld in artikel 38 van de algemene groepsvrijstellingsverordening en die tevens betrekking hebben op uitrusting, machines en industriële productiefaciliteiten die van fossiele brandstoffen gebruikmaken, met inbegrip van die welke van aardgas gebruikmaken.
Studies voor projecten die de installatie van uitbreidingen betreffen die het niveau van milieubescherming van bestaande uitrusting, machines en industriële productie-installaties verbeteren, vallen wel binnen de doelstelling, mits die niet leiden tot een uitbreiding van de productiecapaciteit of tot een hoger verbruik van fossiele brandstoffen.
Onder de industrie wordt verstaan het geheel van ondernemingen die materiële goederen produceren, waarbij grondstoffen worden verwerkt en waarbij sprake is van een hoge graad van mechanisering en automatisering. Dit betreft ondernemingen die activiteiten uitvoeren die worden genoemd in de Standaardbedrijfsindeling van het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdgroep B, C, D (alleen energiedistributie en productie van gas) of E.
In aanvulling op het algemene doel van deze module heeft Programmalijn 2: Waterstof en groene chemie (GroenvermogenNL) specifiek het doel om haalbaarheidsstudies naar pilotprojecten en milieustudies en vergelijkbare studies naar demonstratieprojecten te ondersteunen die bijdragen aan de versnelde en veilige toepassing van waterstofproductie via elektrolyse, elektrochemie, transport en opslag (inclusief import) en eindtoepassingen van waterstof. Hiermee draagt de programmalijn bij aan het doel van het Nationaal Groeifondsprogramma ‘Groenvermogen van de Nederlandse economie’ (hierna: GroenvermogenNL).
2. Programmalijnen
Programmalijn 1: CO2-reducerende maatregelen anders dan waterstof en groene chemie en vergassing van reststromen
Onder deze programmalijn vallen studies naar pilotprojecten, demonstratieprojecten of projecten met uitontwikkelde technologie die andere CO2-reducerende maatregelen in de industrie betreffen, dan maatregelen met betrekking tot waterstof en groene chemie en vergassing van reststromen.
Buiten de reikwijdte van deze programmalijn vallen:
- •
studies gericht op de geologische opslag van CO2 op land;
- •
studies gericht op CO2-afvang bij elektriciteitsproductie of elektriciteit- en warmteproductie uit fossiele brandstoffen met uitzondering van AVI’s of AEC’s.
Programmalijn 2: Waterstof en groene chemie (GroenvermogenNL)
Deze programmalijn geeft invulling aan het Nationaal Groeifondsprogramma GroenvermogenNL. Studies met betrekking tot waterstof die in deze programmalijn passen, kunnen zowel hernieuwbare als niet-hernieuwbare waterstof geproduceerd uit hernieuwbare elektriciteit betreffen. Onder hernieuwbare waterstof wordt verstaan hernieuwbare waterstof als bedoeld in artikel 2, onderdeel 102c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening: waterstof geproduceerd uit hernieuwbare energie overeenkomstig de methoden die zijn uiteengezet voor hernieuwbare vloeibare en gasvormige transportbrandstoffen van niet-biologische oorsprong in Richtlijn 2018/2001/EU. Voor niet-hernieuwbare waterstof moet worden aangetoond dat gedurende de levenscyclus een broeikasgasemissiereductie van ten minste 70% bewerkstelligd wordt ten opzichte van een fossiele referentiebrandstof van 94 g CO2eq/MJ.
Programmalijn 2 bevat de volgende vier deelprogramma’s.
1. Transport en opslag van waterstof(dragers) inclusief conversiestap
Dit deelprogramma is gericht op grootschalige toepassingen van grootschalige energieopslag of conversie naar andere waterstofdragers of producten en de importketens van deze producten. Importfaciliteiten moeten voldoen aan de definitie van energie-infrastructuur als bedoeld in artikel 2, onder 130, onderdeel c, van de algemene groepsvrijstellingsverordening of specifieke infrastructuur als bedoeld in artikel 2, onder 33, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
2. Toepassen van waterstof(dragers) en groene elektronen
Dit deelprogramma is gericht op diverse grootschalige toepassingen van hernieuwbare waterstof in sectoren waar weinig alternatieven voor verduurzaming zijn en op de toepassing van groene elektronen in elektrochemische reacties en plasmatechnologie en bestaat uit drie onderdelen:
- a.
direct gebruik van hernieuwbare waterstof(dragers) als brandstof voor de industrie (energetisch gebruik);
- b.
hernieuwbare waterstof(dragers) als grondstof voor de industrie. Dit omvat ook de productie van synthetische brandstoffen;
- c.
directe toepassing van groene elektronen in elektrochemische koolstof gebaseerde reacties en plasmatechnologie.
3. Productie van waterstof
Dit deelprogramma is gericht op de productie van hernieuwbare waterstof en innovaties die direct verbonden zijn aan de versnelde inpassing van installaties voor de productie van waterstof door middel van elektrolyse (hierna: elektrolysers) op basis van hernieuwbare elektriciteit.
4. Productie van (onderdelen van) elektrolysers voor de productie van hernieuwbare waterstof
Dit deelprogramma is gericht op de realisatie van fabrieksomgevingen voor de productie van elektrolysers en onderdelen van elektrolysers.
Programmalijn 3: Vergassing van reststromen
Onder deze programmalijn vallen studies naar pilotprojecten, demonstratieprojecten of projecten met uitontwikkelde technologie gericht op de vergassing van reststromen waarvan ten minste een deel van biogene oorsprong is. Onder reststromen van biogene oorsprong wordt verstaan biogene grondstoffen die voldoen aan bijlage IX van de Richtlijn hernieuwbare energie. Onder vergassing wordt verstaan het thermochemisch proces, waarbij grondstoffen op hoge druk of temperatuur met een ondermaat aan zuurstof worden gekraakt tot een mengsel van gassen. Dit gasmengsel kan vervolgens verder worden opgewaardeerd tot verschillende eindproducten, namelijk groen gas, methanol, (geavanceerde) transportbrandstoffen, of in de vorm van chemicaliën of syngas als grondstof voor de industrie.
De studies binnen deze programmalijn kunnen gericht zijn op vergassing van biogene reststromen voor de productie van hernieuwbare energiebronnen in de vorm van groen gas of biobrandstoffen. Daarnaast kunnen studies gericht zijn op vergassing van biogene reststromen of deels biogene, ook wel gemengde, reststromen, met als doel het eindproduct in te zetten als grondstof in het kader van een circulaire economie. Ook zijn studies mogelijk waarbij de vergassing van biogene of gemengde reststromen zowel wordt toegepast voor energiedoeleinden als voor gebruik als grondstof.
Studies kunnen betrekking hebben op de hele keten van vergassing, inclusief voorbehandeling, torrefactie, vergassing, reiniging en opwaardering.
Buiten de reikwijdte van deze programmalijn vallen studies gericht op:
- •
projecten waarbij het nominaal thermisch ingangsvermogen van de beoogde productie-installatie op commerciële schaal minder dan 5 MW is;
- •
projecten waarbij minder dan 40% van de verwerkte grondstoffen, op basis van energetische waarde, van biogene oorsprong is;
- •
projecten waarin syngas direct wordt ingezet voor de productie van warmte of elektriciteit;
- •
projecten die primair de productie van waterstof betreffen;
- •
projecten die primair de productie van recycled carbon fuels of de productie van biochar betreffen.
Met primair wordt bedoeld dat op basis van de massabalans of op basis van energie-inhoud minimaal de helft van de voeding wordt ingezet voor één of meer van de bovenstaande toepassingen.