Einde inhoudsopgave
Regeling toelating en uitzetting BES
Artikel 4.2
Geldend
Geldend vanaf 01-01-2015
- Bronpublicatie:
14-11-2014, Stcrt. 2014, 33256 (uitgifte: 20-11-2014, regelingnummer: 578511)
- Inwerkingtreding
01-01-2015
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
14-11-2014, Stcrt. 2014, 33256 (uitgifte: 20-11-2014, regelingnummer: 578511)
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht / Algemeen
1.
In afwijking van artikel 4.1 is de vreemdeling voor een aanvraag om verlening of wijziging van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet geen leges verschuldigd indien hij:
- a.
als minderjarig kind een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet, voor een verblijfsdoel als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder a, van het besluit, bij een vreemdeling die een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dan wel verblijf geniet als bedoeld in artikel 6 van de Wet, voor een verblijfsdoel als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder k, van het besluit;
- b.
als gezinslid van de houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 12a van de Wet, gelijktijdig met de hoofdpersoon is ingereisd dan wel binnen drie maanden nadat aan de hoofdpersoon deze verblijfsvergunning is verleend, is nagereisd, en niet dezelfde nationaliteit heeft als de hoofdpersoon, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet onder een beperking verband houdend met gezinshereniging indient;
- c.
een aanvraag indient in het geval, bedoeld in artikel 5.49, tweede lid, van het besluit;
- d.
een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet, om redenen verband houdend met bescherming aan de vreemdeling als bedoeld in artikel 12a van de Wet.
2.
In aanvulling op het eerste lid kan de Minister in overleg met de Minister van Buitenlandse Zaken bepalen dat de vastgestelde leges niet zijn verschuldigd in het belang van de internationale betrekkingen.