Einde inhoudsopgave
Verordening (EU) 2016/1011 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten
Artikel 48 septies Geldboeten
Geldend
Geldend vanaf 08-06-2025
- Redactionele toelichting
Wordt toegepast vanaf 01-01-2026.
- Bronpublicatie:
07-05-2025, PbEU L 2025, 2025/914 (uitgifte: 19-05-2025, regelingnummer: 2025/914)
- Inwerkingtreding
08-06-2025
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
07-05-2025, PbEU L 2025, 2025/914 (uitgifte: 19-05-2025, regelingnummer: 2025/914)
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
1.
Indien ESMA, overeenkomstig artikel 48 decies, lid 5, tot de bevinding komt dat een persoon, opzettelijk of uit onachtzaamheid, een of meer van de in artikel 42, lid 1, punt a), genoemde inbreuken heeft gepleegd, of dat er sprake is van verzuim om mee te werken aan een onderzoek of een inspectie of gehoor te geven aan een verzoek zoals bedoeld in afdeling 1 van dit hoofdstuk, stelt zij een besluit vast waarbij overeenkomstig lid 2 van dit artikel een geldboete wordt opgelegd.
Een inbreuk wordt geacht opzettelijk te zijn gemaakt indien de ESMA objectieve elementen vindt waaruit blijkt dat een persoon doelbewust handelde om de inbreuk te maken.
2.
De in lid 1 bedoelde geldboete bedraagt maximaal:
- a)
in het geval van een rechtspersoon: 1 000 000 EUR of, in de lidstaten die niet de euro als munt hebben, het overeenkomstige bedrag in de nationale valuta op 30 juni 2016, dan wel 10 % van de totale jaaromzet van die rechtspersoon volgens de meest recente door het leidinggevend orgaan goedgekeurde jaarrekening, afhankelijk van welk bedrag het hoogst is;
- b)
in het geval van een natuurlijke persoon: 500 000 EUR of, in de lidstaten die niet de euro als munt hebben, het overeenkomstige bedrag in de nationale valuta op 30 juni 2016.
Onverminderd het in de eerste alinea bepaalde bedraagt de geldboete voor inbreuken op artikel 11, lid 1, onder d), of artikel 11, lid 4, voor rechtspersonen maximaal 250 000 EUR of, in de lidstaten die niet de euro als munt hebben, het overeenkomstige bedrag in de nationale valuta op 30 juni 2016, dan wel 2 % van de totale jaaromzet van die rechtspersoon volgens de meest recente door het leidinggevend orgaan goedgekeurde jaarrekening, afhankelijk van welk bedrag het hoogst is, en voor natuurlijke personen maximaal 100 000 EUR of, in de lidstaten waar de euro niet de officiële valuta is, het overeenkomstige bedrag in de nationale munteenheid op 30 juni 2016.
Voor de toepassing van punt a) is, wanneer de rechtspersoon een moederonderneming is of een dochteronderneming van een moederonderneming die overeenkomstig Richtlijn 2013/34/EU een geconsolideerde jaarrekening moet opstellen, de betrokken totale jaaromzet gelijk aan de totale jaaromzet of het in overeenstemming met het desbetreffende Unierecht inzake jaarrekeningen daarmee corresponderende soort inkomsten volgens de meest recente door het leidinggevend orgaan van de uiteindelijke moederonderneming goedgekeurde geconsolideerde jaarrekening.
3.
Bij het vaststellen van de hoogte van een geldboete overeenkomstig lid 1 houdt de ESMA rekening met de in artikel 48 sexies, lid 2, uiteengezette criteria.
4.
Onverminderd het bepaalde in lid 3 is, wanneer de rechtspersoon direct of indirect financieel voordeel heeft gehad bij de inbreuk, het bedrag van de geldboete ten minste gelijk aan dat voordeel.
5.
Wanneer een handeling of verzuim van een persoon meer dan één van de in artikel 42, lid 1, onder a), genoemde inbreuken vormt, wordt alleen de hoogste overeenkomstig lid 2 van dit artikel met betrekking tot een van die inbreuken berekende geldboete toegepast.