Einde inhoudsopgave
Besluit bouwwerken leefomgeving - Nota van toelichting
§ 4.7.8 Toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
Algemeen
Deze paragraaf heeft betrekking op de brandweeringang van bouwwerken waarin personen kunnen verblijven, de toegankelijkheid van dit soort bouwwerken voor hulpverleningsdiensten, opstelplaatsen voor brandweervoertuigen, brandweerliften in bouwwerken en voorzieningen voor mobiele radiocommunicatie van hulpverleningsdiensten.
De regels voor de bereikbaarheid van het gebouw voor de brandweer, zoals opgenomen in artikel 6.37 (bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten) en artikel 6.38 (opstelplaatsen voor brandweerwagens) van het Bouwbesluit 2012 zijn niet opgenomen in dit besluit. Dit vanwege het feit dat onder de Omgevingswet de bevoegdheid voor het stellen van dergelijke eisen aan de omgeving van een gebouw bij de gemeente ligt. De gemeente kan deze eisen, afgestemd op de locale situatie, opnemen in het omgevingsplan.
Artikel 4.225 (aansturingsartikel)
In het eerste lid is de functionele eis opgenomen dat een bouwwerk zodanig bereikbaar voor hulpverleningsdiensten moet zijn, dat tijdig bluswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en hulpverlening kan worden geboden.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor iedere gebruiksfunctie gelden regels, dit betekent dat de functionele eis op alle gebruiksfuncties van toepassing is.
Artikel 4.226 (brandweeringang)
Om een snelle en adequate inzet mogelijk te maken, moet de brandweer een bouwwerk met een zodanig brandveiligheidsrisico dat het bouwwerk een brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat moet hebben op eenvoudige wijze kunnen betreden. Het is daarom van groot belang dat de brandweer direct weet waar het gebouw kan worden betreden.
Het eerste lid geeft aan dat een bouwwerkmet een krachtens de wet (Omgevingswet) voorgeschreven brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat een brandweeringang moet hebben. Voorbeelden van een dergelijke brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat zijn een brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat als bedoeld in artikel 4.210 van dit besluit en een brandmeldinstallatie met inspectiecertificaat die onderdeel uitmaakt van een in artikel 4.7 van de wet bedoelde gelijkwaardige oplossing.
Het tweede lid stelt eisen aan het ontsluitingsmechanisme van de brandweeringang. Deze ingang moet bij brand of automatisch open gaan of kunnen worden geopend met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald, bijvoorbeeld met een brandweersleutel. Het tweede lid is alleen van toepassing op de in het eerste lid bedoelde gebouwen, voor zover bij die een krachtens de wet voorgeschreven brandmeldinstallatie een doormelding naar de regionale alarmcentrale van de brandweer is vereist. Voorbeelden van een krachtens de Omgevingswet voorgeschreven brandmeldinstallatie met doormelding zijn een in artikel 4.208, eerste lid, bedoelde brandmeldinstallatie met doormelding en een brandmeldinstallatie met doormelding die onderdeel uitmaak van een in artikel 4.7 van de wet bedoelde gelijkwaardige oplossing.
De brandweer zal bij toepassing van dit artikel rekening moeten houden met de mogelijkheid dat het bevoegd gezag op grond van artikel 4.227 beperkingen kan stellen.
Artikel 4.227 (afbakening maatwerkvoorschriften brandweeringang)
Een brandweeringang is niet nodig als het bevoegd gezag dat gezien de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk niet nodig vindt. Als het gebouw/bouwwerk meerdere toegangen heeft, worden op grond van het gestelde onder b in overleg met de brandweer een of meer van die toegangen als brandweeringang aangewezen. De brandweer zal hierbij rekening houden met de mogelijkheden om vanaf de specifieke toegang of toegangen de brandweerinzet goed te kunnen organiseren en uitvoeren.
Artikel 4.228 (brandweerlift)
Het kunnen redden van personen bij brand en het bestrijden van brand door de brandweer kan in sommige gevallen (bijvoorbeeld bij hoogbouw) meebrengen dat in het gebouw een brandweerlift aanwezig moet zijn. Als een lift is aangemerkt als brandweerlift, dan moet de brandweer er op kunnen vertrouwen dat deze lift geschikt is om bij brand materieel en manschappen veilig te vervoeren. Voor een toelichting op het begrip brandweerlift wordt verwezen naar de toelichting op bijlage I, onderdeel A. Met de aanwezigheid van zo'n lift wordt de brandweer in staat gesteld om in geval van brand het blus- en reddingsmaterieel langs veilige weg naar hoger gelegen verdiepingen aan te voeren. Er wordt op gewezen dat de brandweerlift op grond van het bepaalde in artikel 2.6 (specifieke zorgplicht: bouwwerk installatie) op adequate wijze moet worden beheerd, onderhouden en gecontroleerd. Omdat de gewone periodieke controle van liften op grond van het Warenwetbesluit Liften (eens in de 18 maanden) niet toeziet op veiligheidsaspecten die specifiek zijn voor een brandweerlift bijvoorbeeld schachtventilatie, zal het nodig zijn bij de controle rekening te houden met de specifieke eigenschappen van de brandweerlift. Dit zal in het algemeen betekenen dat elke brandweerlift eens per 18 maanden een specifieke controle- en onderhoudsbeurt moet krijgen. Als dit niet adequaat gebeurt dan zal de brandweer de lift niet meer als brandweerlift willen gebruiken. Opgemerkt wordt dat het ontbreken van een voorgeschreven brandweerlift, bijvoorbeeld omdat de brandweer de lift niet meer als brandweerlift wil gebruiken, er toe kan leiden dat beperkingen aan het gebruik van het bouwwerk worden gesteld.
Er wordt op gewezen dat dit artikel in de tabel niet is aangestuurd voor een overige gebruiksfunctie en een bouwwerk geen gebouw zijnde. Dit komt overeen met de vergelijkbare eis uit het Bouwbesluit 2012.
Artikel 4.229 (mobiele radiocommunicatie hulpverleningsdiensten)
Bij een calamiteit is adequate communicatie tussen publieke hulpverleners essentieel om goed te kunnen functioneren. In veel gevallen zijn hiervoor geen extra voorzieningen nodig. In dit artikel worden twee specifieke regels gegeven. Bij een voor grote aantallen bezoekers bestemd bouwwerk kunnen bijzondere voorzieningen voor een adequate mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen en buiten dat bouwwerk nodig zijn (eerste lid). Bij wegtunnels met een tunnellengte van meer dan 250 m is een door het bevoegd gezag goedgekeurde installatie voor mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten binnen en buiten de wegtunnel altijd nodig (tweede lid). Bij bouwwerken die voor grote aantallen bezoekers toegankelijk zijn is de noodzaak van die installatie afhankelijk van de specifieke omstandigheden. Dit zal bijvoorbeeld afhangen van de al beschikbare dekking van het communicatienetwerk van publieke hulpverleningsdiensten in en buiten het bouwwerk, het aantal personen en de complexiteit of de omvang van het gebouw. De al beschikbare dekking van het zogenoemde C 2000-systeem zal in de meeste gevallen voldoende zijn.
C 2000 is een landelijk digitaal radionetwerk voor de mobiele communicatie van de Nederlandse hulpverleningsdiensten. In de praktijk betekent dit dat de hulpverlener in Nederland altijd en overal buitenshuis een verbinding tot stand kan brengen met collega's of met de meldkamer of alarmcentrale. Door de wijze waarop het C2000-radionetwerk is ontworpen zal in veel gevallen ook sprake zijn van binnenhuisdekking. Dit is echter sterk afhankelijk van de aard en ligging van het bouwwerk. Het ontbreken van binnenhuisdekking kan soms tot bezwaarlijke situaties leiden in voor het grote publiek toegankelijke bouwwerken. Deze locaties worden in C2000-jargon aangeduid als special coverage locations (SCL's). In die gevallen kan soms worden volstaan met plaatselijke en tijdelijke dekkingsmaatregelen zoals direct mode of operations (DMO) of met een zogenoemde DMO-TMO-gateway. Dit moet van geval tot geval worden beoordeeld.
Eerst moet worden vastgesteld of sprake is van een voor grote aantallen bezoekers bestemd bouwwerk. Daarbij gaat het in de regel om voor het grote publiek toegankelijke bouwwerken, zoals voetbalstadions, grote overdekte winkelcentra, luchthavengebouwen, stations en ondergrondse bouwwerken zoals auto-, trein- en metrotunnels. Omdat in bijvoorbeeld kantoorgebouwen, schoolgebouwen en gerechtsgebouwen alleen grote aantallen gebruikers maar geen grote aantallen bezoekers aanwezig zijn, behoren zulke gebouwen niet tot de in het eerste lid bedoelde categorie bouwwerken. Vervolgens moet worden vastgesteld of het bouwwerk binnenshuis onvoldoende dekking heeft (SCL-locatie) en of er zonder aanvullende voorzieningen in die SCL onvoldoende binnenhuisdekking is van het bestaande radionetwerk (C 2000). Is die dekking er niet (of niet in het gehele bouwwerk), moet worden bepaald of DMO of DMO-TMO een voldoende oplossing biedt. Pas wanneer dat laatste niet het geval is moet op grond van dit artikel voor die locatie worden gezocht worden naar een meer structurele oplossing voor adequate binnenhuisdekking.
Artikel 4.230 (afbakening maatwerkvoorschriften mobiele radiocommunicatie hulpverleningsdiensten)
Met dit maatwerkartikel zijn de regels van artikel 4.230 inhoudelijk in overeenstemming gebracht met artikel 6.41 van het Bouwbesluit 2012.