Einde inhoudsopgave
Verordening (EU) 2024/1157 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1257/2013 en (EU) 2020/1056 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1013/2006
Artikel 43 Beoordeling van het verzoek tot opneming in de lijst van landen waarnaar uitvoer is toegestaan
Geldend
Geldend vanaf 20-05-2024
- Bronpublicatie:
11-04-2024, PbEU L 2024, 2024/1157 (uitgifte: 30-04-2024, regelingnummer: 2024/1157)
- Inwerkingtreding
20-05-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
11-04-2024, PbEU L 2024, 2024/1157 (uitgifte: 30-04-2024, regelingnummer: 2024/1157)
- Vakgebied(en)
Milieurecht / Afval
1.
De Commissie beoordeelt de op grond van artikel 42 ingediende verzoeken onverwijld en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de in dat artikel gestelde eisen is voldaan, neemt zij het land dat het verzoek indient op in de lijst van landen waarnaar uitvoer is toegestaan. De beoordeling wordt gebaseerd op de door het verzoekende land verstrekte informatie en bewijsstukken, alsook op andere relevante informatie, en stelt vast of het land dat het verzoek heeft ingediend, voldoet aan de eisen van artikel 42, waarbij onder meer wordt nagegaan of het alle nodige maatregelen heeft genomen en uitvoert om ervoor te zorgen dat de betrokken afvalstoffen en mengsels van afvalstoffen op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze worden beheerd zoals bedoeld in artikel 59, en dat er geen substantiële nadelige gevolgen zijn voor het beheer van in het betrokken land zelf geproduceerde afvalstoffen als gevolg van de uit de Unie uitgevoerde afvalstoffen. Om die beoordeling uit te voeren, gebruikt de Commissie als referentiepunt de relevante bepalingen in de wetgeving en richtsnoeren zoals bedoeld in bijlage IX.
2.
Wanneer de Commissie tijdens haar beoordeling van oordeel is dat de door het verzoekende land verstrekte informatie onvolledig of ontoereikend is om aan te tonen dat aan de eisen van artikel 42 is voldaan, biedt zij dat land de mogelijkheid om binnen een termijn van maximaal drie maanden aanvullende informatie te verstrekken. Die termijn kan met nog eens drie maanden worden verlengd indien het verzoekende land daartoe een met redenen omkleed verzoek indient.
3.
Indien het land dat het verzoek doet de aanvullende informatie niet binnen de in lid 2 van dit artikel bedoelde termijn verstrekt, of indien de verstrekte aanvullende informatie nog steeds onvolledig of ontoereikend wordt geacht om aan te tonen dat aan de eisen van artikel 42 is voldaan, deelt de Commissie het land dat het verzoek doet zonder onnodige vertraging mee dat het land niet kan worden opgenomen in de lijst van landen waarnaar uitvoer is toegestaan en dat zijn verzoek niet meer zal worden verwerkt. In een dergelijk geval stelt de Commissie het verzoekende land ook in kennis van de redenen voor die conclusie. Het land dat het verzoek indient, kan op grond van artikel 42 een nieuw verzoek indienen.
4.
De Commissie beoordeelt de op grond van artikel 42, lid 4, ingediende verzoeken zonder onnodige vertraging en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de eisen van artikel 42, leden 3 en 4, is voldaan, is zij gemachtigd om overeenkomstig artikel 80 een gedelegeerde handeling vast te stellen om het land dat het verzoek indient op te nemen in de lijst van landen waarnaar uitvoer is toegestaan. Om die beoordeling uit te voeren, gebruikt de Commissie als referentiepunt de relevante bepalingen in de wetgeving en richtsnoeren zoals bedoeld in bijlage IX.