Einde inhoudsopgave
Besluit bouwwerken leefomgeving - Nota van toelichting
§ 4.3.6 Luchtverversing
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
Algemeen
Deze paragraaf bevat de regels voor luchtverversing. De vereiste ventilatiecapaciteit wordt voor een verblijfsgebied en een verblijfsruimte berekend aan de hand van het aantal personen dat in een ruimte of een gebied aanwezig is. Dit geldt voor elke gebruiksfunctie behalve voor de woonfunctie. Zie voor een toelichting op deze personenbenadering het algemeen deel van de toelichting en de toelichting op artikel 2.11 (aantal personen in een bouwwerk).
Artikel 4.121 (aansturingsartikel)
De functionele eis van het eerste lid, geeft aan dat een bouwwerk een zodanige voorziening voor luchtverversing moet hebben dat het ontstaan van een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht wordt voorkomen. De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor alle gebruiksfuncties zijn regels gegeven, daarmee geldt de functionele eis ook voor alle gebruiksfuncties.
Artikel 4.122 (luchtverversing verblijfsgebied, verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte)
Dit artikel schrijft de aanwezigheid voor van een voorziening voor luchtverversing (ventilatiemogelijkheid) waarmee een verblijfsgebied, een verblijfsruimte, een toiletruimte en een badruimte langs natuurlijke of mechanische weg kunnen worden geventileerd. Op deze wijze wordt zeker gesteld dat de noodzakelijke zuurstof kan worden aangevoerd en kooldioxide, waterdamp, onaangename geurstoffen en stofdeeltjes kunnen worden afgevoerd. Ook speelt luchtverversing een rol bij het afvoeren van eventuele in de binnenlucht aanwezige schadelijke stoffen als gevolg van bijvoorbeeld formaldehyde-emissie, fijnstof en radonstraling.
De regels zijn afgestemd op het advies van de Gezondheidsraad over ventilatie (Het binnenhuisklimaat, in het bijzonder een ventilatieminimum, in Nederlandse woningen, Gezondheidsraad, 1984), waarin per persoon een minimum luchtverversing wordt aanbevolen van 25 m3/h (=7•10-3 m3/s).
De benodigde hoeveelheid luchtverversing van een verblijfsgebied of verblijfsruimte wordt bij de woonfunctie bepaald aan de hand van de vloeroppervlakte, bij de utiliteitsfuncties wordt de benodigde hoeveelheid luchtverversing bepaald aan de hand van het aantal personen waarvoor de ruimte is bestemd (personenbenadering).
Bij het bepalen van de vereiste ventilatiecapaciteit hoeft alleen rekening gehouden te worden met het aantal personen waarvoor het gebouw, uitgaande het kenmerkend gebruik van de gebruiksfunctie bestemd is. Dat betekent dat bij het bepalen van de vereiste ventilatiecapaciteit voor een klaslokaal geen rekening hoeft te worden gehouden met de ouders die hun kinderen wegbrengen en dat in een ziekenhuiszaal bij het vaststellen van de vereiste ventilatiecapaciteit geen rekening hoeft te worden gehouden met het bezoek. Daar staat tegen over dat bij een winkel zowel rekening moeten worden gehouden met het winkelend publiek als met het personeel. Zowel het publiek als het personeel spelen namelijk een rol bij het kenmerkende gebruik (het primaire proces).
Het eerste lid, onder a, gaat voor een verblijfsgebied van een woonfunctie uit van een voorgeschreven capaciteit van 0,9 dm3/s per m2 vloeroppervlakte. Bij een woonfunctie is de vereiste ventilatiecapaciteit niet afhankelijk gesteld van het aantal personen in die woning. De verordenende bevoegdheid biedt de gemeente de mogelijkheid een zogenoemd overbewoningsartikel op te stellen waarmee tegen excessieve bewoning kan worden opgetreden. Het eerste lid bevat een soortgelijke regel voor een verblijfsruimte van een woonfunctie. De capaciteit moet dan 0,7 dm3/s per m2 vloeroppervlakte van die ruimte zijn. Om te waarborgen dat in het kleinst denkbare verblijfsgebied of de kleinst denkbare verblijfsruimte van 5 m2 toch voldoende ventilatie aanwezig is voor ten minste één persoon, zoals bedoeld in het bovengenoemde advies van de Gezondheidsraad, geldt bij het eerste lid een minimale ventilatiecapaciteit van 7•10-3 m3/s.
Opgemerkt wordt dat bij een aanvraag om een vergunning voor het bouwen zowel moet worden voldaan aan de eisen voor een verblijfsgebied (onder a) als aan de eisen voor een verblijfsruimte (onder b), dus bij een ingedeeld verblijfsgebied kan niet worden volstaan met het alleen voldoen aan de ventilatie-eisen voor de in dat gebied gelegen verblijfsruimten.
Het tweede lid heeft alleen betrekking op utiliteitsfuncties. Dit lid geeft, gebaseerd op de personenbenadering, een minimumeis voor de luchtverversing in een verblijfsgebied en een verblijfsruimte.
Het is de bedoeling dat de aanvrager van een vergunning het aantal personen per gebouw, gebruiksfunctie,-gebied en -ruimte opgeeft, daarbij moet worden uitgegaan van het aantal personen waarvoor het verblijfsgebied of de verblijfsruimte bestemd is.
De regel van het derde lid voor een verblijfsgebied of verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel is erop gericht dat geurstoffen, bij normale verbranding vrijkomende dampen en overmatige waterdampproductie die daar kunnen ontstaan in korte tijd kunnen worden afgevoerd en verbrandingslucht kan worden toegevoerd.
Het uitgangspunt van het vierde lid is dat bij een woning niet elke ruimte gelijktijdig wordt gebruikt. De totale capaciteit van een centrale ventilatievoorziening mag echter niet kleiner zijn dan 70% van de optelsom van de voorgeschreven ventilatiecapaciteiten van alle op de centrale ventilatievoorziening aangesloten verblijfsgebieden. De totaal benodigde ventilatiecapaciteit hoeft dus niet een optelsom van de in de verschillende verblijfsgebieden benodigde capaciteit te zijn. Natuurlijk moet elk verblijfsgebied op enig moment kunnen beschikken over de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde benodigde capaciteit. Daarbij kan het nodig zijn een regelsysteem voor de verdeling van de ventilatiecapaciteit over verschillende verblijfsgebieden te installeren.
De in het vijfde lid voorgeschreven capaciteit voor een toiletruimte (onder a) is zodanig dat verontreinigde lucht in korte tijd kan worden afgevoerd en voor een badruimte (onder b) zodanig dat een overmaat aan waterdamp wordt voorkomen ter beperking van schimmelvorming.
In tabel 4.121 zijn de eerste vier leden van dit artikel niet aangestuurd voor de overige gebruiksfunctie. Een parkeergarage of een andere overige gebruiksfunctie heeft namelijk geen verblijfsgebieden of verblijfsruimten maar alleen functiegebieden en functieruimten. De regels van dit artikel die alleen betrekking hebben op verblijfsgebieden en verblijfsruimten kunnen derhalve niet van toepassing zijn. Een overige gebruiksfunctie kan wel een toilet- of badruimte hebben. Daarom is het vijfde lid daarvoor wel aangestuurd.
Artikel 4.123 (thermisch comfort)
De praktijk wijst uit dat veel mensen bij tocht (te veel circulatie van koude lucht) de neiging hebben om ventilatieopeningen af te sluiten, waardoor een voor de gezondheid nadelige situatie kan ontstaan. Om dergelijk handelen te voorkomen stelt dit artikel een maximum aan de luchtsnelheid van verse (koude) ventilatielucht in de leefzone, zodat er bij het gebruik van de ventilatievoorziening geen tochtoverlast wordt ervaren. Het begrip leefzone is gedefiniëerd in bijlage I.
Artikel 4.124 (regelbaarheid en uitschakelbaarheid)
Met de regel over de regelbaarheid van de ventilatievoorziening is beoogd de gebruikers van een gebouw een adequate regelmogelijkheid te bieden voor de ventilatievoorziening. Dit geldt zowel voor natuurlijke als voor mechanische ventilatievoorzieningen.
Het eerste lid betreft de regelbaarheid van de natuurlijke toevoer van ventilatielucht direct van buiten, bijvoorbeeld door een kiepraampje, ongeacht de vraag of de afvoer natuurlijk of mechanisch is. Het gaat er in dit lid om dat de beweegbare componenten bestemd voor het regelen van de capaciteit van de toevoer van verse lucht in verschillende (instel)standen kunnen worden gefixeerd.
Het tweede lid stelt eisen aan de regelbaarheid van de mechanische toevoer van ventilatielucht, bijvoorbeeld bij een balansventilatiesysteem. Het gaat om een mechanische toevoer (door de ventilator) van verse ventilatielucht ongeacht de vraag of de afvoer natuurlijk of mechanisch is. Op een systeem waarbij de lucht natuurlijk wordt toegevoerd en mechanisch afgevoerd is dus alleen het eerste lid van toepassing. In de meeste gevallen zal de regelbaarheid voor de toevoer op basis van een ventilatiebalans gelijk zijn aan regelbaarheid voor de afvoer. Uit het tweede lid volgt dat de mechanische toevoer een dichtstand moet hebben (die kan worden bereikt door de stroomtoevoer of de ventilatiemotor uit te schakelen) en ten minste de hierna genoemde drie ventilatiestanden moet hebben: de minimumstand, een tussenliggende instelstand en een stand die de in artikel 4.122 bedoelde ventilatiecapaciteit waarborgt. Eventueel tussenliggende standen zijn niet verder voorgeschreven en zijn afhankelijk van het gekozen systeem. Een voorziening voor de toevoer van ventilatielucht hoeft niet altijd regelbaar te zijn met door mensen in te stellen regelstanden als aangegeven in het eerste en tweede lid.
Het derde lid staat namelijk binnen de randvoorwaarden van het eerste en tweede lid een zelfregelende toevoervoorziening toe. Met een zelfregelende toevoervoorziening worden bijvoorbeeld zelfregelende ventilatieroosters bedoeld, die als de (wind)druk op de gevel toeneemt, automatisch de infiltratie beperken met een mechanische zelfregelende klep. Hierdoor is de ventilatietoevoer constant, onafhankelijk van de winddruk op de gevel. Het beperken van de luchtstroom naarmate de winddruk groter wordt, beperkt eventuele tochtproblemen en ventilatieverliezen.
Hitte, rook of schadelijke gassen die bij een calamiteit kunnen vrijkomen kunnen ook de veiligheid van het binnenmilieu van een gebouw bedreigen. Dit geldt ook voor buiten een in een brand- of explosievoorschriftengebied gelegen gebouwen. In het vierde lid is daarom geregeld dat een mechanische ventilatievoorziening bij een externe calamiteit handmatig moet kunnen worden uitgeschakeld. Als de stekker van de mechanische ventilatievoorziening voor de gebruiker bereikbaar is, dan is de mogelijkheid om de stekker uit het stopcontact te halen, voldoende om aan de eis te kunnen voldoen. Het zelfde kan worden bereikt met een afzonderlijke (groeps-) schakelaar voor de ventilatievoorziening in een meterkast of op een centraal bedieningspaneel in bijvoorbeeld de hal van een kantoorgebouw. In geval van collectieve ventilatievoorzieningen kan bijvoorbeeld aan de eis worden voldaan als een beheerder (bijvoorbeeld een conciërge of receptionist) van het gebouw de ventilatievoorziening kan uitschakelen.
Artikel 4.125 (luchtverversing overige ruimten)
Ventilatie is niet alleen voor verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toilet- en badruimten noodzakelijk maar ook voor een sommige andere ruimten in een gebruiksfunctie. Deze overige ruimten zijn weliswaar niet bestemd voor langdurig verblijf van mensen maar kunnen door de aard van hun gebruik zonder voldoende luchtverversing een verhoogde kans op gevaar voor de gezondheid van de gebruikers opleveren. Dit artikel regelt de aanwezigheid van een voorziening waarmee die andere ruimten in een gebruiksfunctie langs natuurlijke of mechanische weg kunnen worden geventileerd.
Het eerste lid regelt dat in gemeenschappelijke verkeersruimten (galerijen, corridors, trappenhuizen en portieken) een ventilatievoorziening moet zijn. In deze ruimten kan zich verontreinigde lucht ophopen en kunnen onaangename geuren afkomstig uit de aangrenzende woningen blijven hangen.
Het tweede lid bepaalt dat een ruimte met een opstelplaats voor een gasmeter moet worden geventileerd om te voorkomen dat in die ruimte door een eventueel gaslek een ontplofbaar gasmengsel kan ontstaan. Ook kan de ventilatie zorgen dat de aan de gaslucht verbonden geurstoffen zich snel door het gebouw verspreiden en een lekkage zodoende spoedig ergens in het gebouw wordt opgemerkt. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat ook de ruimte waar daadwerkelijk een gasmeter is geïnstalleerd een ruimte met een opstelplaats voor een gasmeter is.
Voor een liftschacht van een personenlift geldt dat de ventilatievoorziening gewaarborgd moet zijn. Personen in een vastzittende lift zijn dikwijls afhankelijk van via de liftschacht aangevoerde verse lucht. Het derde lid stelt daarom een minimum ventilatie-eis aan de liftschacht. Voor de eisen aan de liftkooi zelf, dus ook aan de ventilatie in de liftkooi wordt naar het Besluit liften verwezen.
Het vierde lid geeft een ventilatie-eis voor een opslagruimte voor huishoudelijk afval, als die ruimte een vloeroppervlakte van meer dan 1,5 m2 heeft. Ventilatie is hier nodig om de kans te beperken dat er door de opslag van grote hoeveelheden afval stankhinder ontstaat. Opgemerkt wordt dat de opslagruimte voor huishoudelijk afval niet meer is voorgeschreven, maar dat de regel geldt voor iedere vrijwillig aangebrachte opslagruimte. Huishoudelijk afval is het reguliere afval dat bij de huishouding vrijkomt. Dit geldt zowel voor afval dat vrijkomt bij de huishouding van een gezin als van een bedrijf. Afval dat bij een productieproces vrij komt is geen huishoudelijk afval maar bedrijfsafval. Deze regel is niet van toepassing op een opslagruimte voor bedrijfsafval. De opslagruimte in dit lid moet niet verward worden met de verzamel-, opslag- of verwerkingsruimte voor (voormalig huishoudelijk) afval in een afvalverwerkingsbedrijf.
Het vijfde lid stelt een minimum ventilatie-eis aan een stallingsruimte voor motorvoertuigen. Deze aan de vloeroppervlakte van de stallingsruimte gerelateerde eis aan de ventilatiecapaciteit geldt evenzeer voor een garage bij een woning als voor een voor het publiek toegankelijke parkeergarage.
Het zesde lid is een functionele eis die op iedere tunnel en ieder tunnelvormig bouwwerk voor verkeer van toepassing is, dus ook op spoortunnels. Er moet afhankelijk van het soort tunnel en de tunnellengte altijd voldoende luchtverversing zijn om de gezondheid van de gebruikers te kunnen waarborgen. Er moet rekening worden gehouden met de emissie van verontreinigende stoffen bij normaal verkeer, tijdens verkeerspieken en bij stilstand wegens een ongeval. Ook moet rekening worden gehouden met de beheersing van hitte en rook bij brand.
Bij kortere tunnels kan de natuurlijke ventilatie via de tunnelopeningen soms voldoende zijn. In dat geval wordt door het rijdend verkeer een luchtstroming in de tunnelbuis opgewekt die in de meeste gevallen voldoende is voor verversing van de lucht. De schone lucht wordt dan aangevoerd via de ingang van de wegtunnelbuis en de vervuilde lucht verdwijnt via de uitgang. In sommige gevallen kan zelfs worden volstaan met de luchtbeweging door wind of tocht. In andere gevallen zijn aanvullende ventilatievoorzieningen nodig om voldoende ventilatiecapaciteit te waarborgen. Deze voorzieningen kunnen mechanisch zijn, maar dat hoeft niet. Bij een lange wegtunnelbuis kan niet worden vertrouwd op natuurlijke ventilatie. Bij een wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 500 meter moet er altijd een mechanische ventilatievoorziening zijn. Dit geldt dus niet voor een tunnel of tunnelvormig bouwwerk zonder wegtunnelbuis zoals een tunnelbak zonder dak.
Artikel 4.126 (luchtkwaliteit: plaats van de instroomopening en uitmonding)
Er moet worden voorkomen dat door het gebouw zelf afgevoerde verontreinigde binnenlucht onverdund weer het gebouw wordt ingezogen. Om die reden stelt dit artikel in het eerste lid eisen ter beperking van de concentraties verontreinigde lucht bij een instroomopening voor verse lucht. Dit betekent dat eventuele verontreinigde lucht die door het gebouw wordt uitgestoten, nabij de instroomopening zo verdund moet zijn dat mocht die lucht weer naar binnen worden gezogen, er geen schadelijke effecten op de gezondheid kunnen ontstaan. Uit NEN 1087 volgt wat in een specifiek geval de minimale afstand tussen een uit- en een instroomopening moet zijn om aan de in het eerste lid bedoelde verdunningsfactor te voldoen. In artikel 4.138 is een soortgelijke bepaling opgenomen voor de uitmonding van een rookgasafvoer, die er op is gericht om te voorkomen dat door het gebouw zelf afgevoerd rookgas onverdund weer het gebouw wordt ingezogen.
In het tweede lid is bepaald dat zowel de instroom- als de uitstroomopening ten minste 2 meter van de perceelsgrens moeten liggen, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie. Bij een bijvoorbeeld in de achtergevel gelegen uitstroomopening gaat het om de haaks op die achtergevel gelegen afstand, de afstand van die in de achtergevel gelegen uitstroomopening ten opzichte van de zijgevel is niet relevant. Oogmerk van deze bepaling is het waarborgen dat belendingen het functioneren van de voorziening niet belemmeren. Of een belending last heeft van de uitstoot uit een in dit artikel bedoelde uitstroomopening is een andere zaak. In sommige gevallen zal het burenrecht er toe leiden dat er toch beperkingen kunnen worden gesteld aan het daadwerkelijk gebruik van een afvoer die wel aan dit artikel voldoet. Het tweede lid geldt niet voor een in een dak gelegen instroomopening of uitmonding.
In het derde lid zijn eisen gesteld aan de ventilatieopeningen bij een parkeergarage. Deze regels zijn afkomstig uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze regels zijn bedoeld ter voorkoming van ongezonde binnenlucht in gebouwen in nabijheid van een parkeergarage.
Bij een voorziening voor mechanische ventilatie van een stallingsruimte voor motorvoertuigen met ten minste 20 parkeerplaatsen:
- a.
wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 meter boven het straatniveau of, als binnen 25 meter van de uitblaasopening een gebouw ligt met een hoogste daklijn die meer dan vijf meter boven het straatniveau ligt, ten minste één meter boven de hoogste daklijn van dat gebouw, en
- b.
is de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste 10 m/s. Deze eis is gelijk aan de eis voor bestaande bouw. Hierdoor is het mogelijk om de eis ook afhankelijk te maken van de daadwerkelijk aanwezige bebouwing rondom het de stallingsruimte. Uit onderdeel a volgt dat bij de bouw moet worden uitgegaan van de dan aanwezige bebouwing.
Artikel 4.127 (luchtkwaliteit: toevoer van ventilatielucht)
Het artikel over luchtkwaliteit van het Bouwbesluit 2012 (artikel 3.34) is gesplitst in een afzonderlijk artikel gericht op de toevoer van ventilatielucht en een artikel gericht op de afvoer van binnenlucht (artikel 4.128). Artikel 4.127 regelt dat de aanvoer van ventilatielucht zodanig moet zijn dat de toegevoerde lucht daadwerkelijk verse lucht is en dat de toegevoerde lucht niet kan leiden tot een voor de gezondheid schadelijk binnenmilieu.
De hoofdregel, vastgelegd in het eerste lid, is dat alle verse lucht voor een verblijfsgebied rechtstreeks van buiten moet worden toegevoerd. De bedoeling is dat de lucht niet eerst in een andere ruimte verbruikt kan zijn. Rechtstreekse toevoer kan ook via een kanalensysteem plaatsvinden.
In het tweede lid is voor de woonfunctie en voor de logiesfunctie een uitzondering gegeven. Daar mag ten hoogste 50% van de in artikel 4.122 bedoelde capaciteit via een andere ruimte worden aangevoerd. Deze ruimte moet wel tot dezelfde gebruiksfunctie behoren en mag geen gemeenschappelijke ruimte zijn.
Het derde lid geeft aan dat bij een gemeenschappelijke verkeersruimte van een woonfunctie de toevoer ventilatielucht naar een gemeenschappelijke verkeersruimte altijd rechtstreeks van buiten moet plaats vinden. De ventilatielucht mag dus niet via een andere ruimte worden gevoerd.
Het vierde lid regelt voor alle gebruiksfuncties dat bij een liftschacht van een (personen) lift de toevoer van ventilatielucht rechtstreeks van buiten of via de liftmachineruimte plaatsvindt. De liftmachineruimte moet dan in directe verbinding met de buitenlucht staan (wel of niet via een kanalensysteem). Als de personenlift een brandweerlift is (zie voor een toelichting op de begrippen lift en brandweerlift bijlage I), dan beperkt die regel de kans dat de brandweerlift in geval van brand onbruikbaar wordt als gevolg van het binnendringen van rook uit een andere ruimte.
Het vijfde lid biedt voor een opslagruimte voor huishoudelijk afval een soortgelijke regel als het derde en vierde lid. De toevoer van ventilatielucht mag niet via een andere ruimte in het gebouw plaatsvinden. In opslagruimten voor afval vloeit uit de aard van het gebruik voort dat de binnenlucht wordt verontreinigd. Een open verbinding met andere ruimten zou verspreiding van deze verontreiniging door het gehele gebouw tot gevolg kunnen hebben.
In het zesde lid is geregeld dat bij een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m de toevoer van verse lucht rechtstreeks van buiten plaats moet vinden. Rechtstreeks van buiten wil zeggen dat de ventilatielucht niet via een andere ruimte dan de wegtunnelbuis zelf mag worden aangevoerd. Dit betekent dat er wel gebruik mag worden gemaakt van rechtstreekse aanvoer via de tunnelbuismond of van een kanalensysteem dat door andere ruimten loopt.
Artikel 4.128 (luchtkwaliteit: afvoer van binnenlucht)
Het artikel over luchtkwaliteit van het Bouwbesluit 2012 (artikel 3.34) is gesplitst in een afzonderlijk artikel gericht op de toevoer van ventilatielucht (artikel 4.127) en een artikel gericht op de afvoer van binnenlucht. Artikel 4.128 regelt dat de afvoer van binnenlucht zodanig moet geschieden dat die afvoer de luchtkwaliteit in die ruimte of andere ruimten van een gebouw niet op een voor de gezondheid nadelige wijze beïnvloedt.
Het eerste lid geeft aan dat bij een gemeenschappelijke verkeersruimte van een woonfunctie de afvoer van binnenlucht altijd rechtstreeks naar buiten moet plaats vinden. De ventilatielucht mag dus niet via een andere ruimte worden gevoerd.
Het tweede lid regelt voor alle gebruiksfuncties dat bij een liftschacht van een (personen) lift de afvoer van binnenlucht rechtstreeks of via de liftmachineruimte naar buiten plaatsvindt. De liftmachineruimte moet dan in directe verbinding met de buitenlucht staan (wel of niet via een kanalensysteem). Als de personenlift een brandweerlift is (zie voor een toelichting op de begrippen lift en brandweerlift bijlage I), dan beperkt die regel de kans dat de brandweerlift in geval van brand onbruikbaar wordt als gevolg van het binnendringen van rook uit een andere ruimte.
Het derde lid biedt voor een toiletruimte, een badruimte en een opslagruimte voor huishoudelijk afval een soortgelijke regel als het eerste en tweede lid. In opslagruimten voor afval vloeit uit de aard van het gebruik voort dat de binnenlucht wordt verontreinigd. Een open verbinding met andere ruimten zou verspreiding van deze verontreiniging door het gehele gebouw tot gevolg kunnen hebben en is daarom niet toelaatbaar.
In het vierde lid is geregeld dat de afvoer van binnenlucht uit de wegtunnelbuis rechtstreeks naar buiten plaats moet vinden. Rechtstreeks van respectievelijk naar buiten wil zeggen dat de ventilatielucht niet via een andere ruimte dan de wegtunnelbuis zelf mag worden afgevoerd. Dit betekent dat er wel gebruik mag worden gemaakt van rechtstreekse afvoer via de tunnelbuismond of van een kanalensysteem dat door andere ruimten loopt.
De eis van het vijfde lid heeft niet betrekking op alle afgevoerde binnenlucht uit de ruimte, maar op ten minste 21 dm3/s. Dit is in het algemeen de hoeveelheid lucht die door een afzuigkap wordt afgevoerd. De capaciteit die hierboven uit gaat mag via een andere ruimte worden afgevoerd. Opgemerkt wordt dat, dat dan geen ruimte mag zijn waar alle ventilatielucht direct van buiten moet worden aangevoerd. Zie ook de toelichting op het tweede lid.
Het zesde lid regelt dat binnenlucht uit een stallingsruimte voor motorvoertuigen rechtstreeks naar buiten moet plaatsvinden. De binnenlucht mag dus alleen direct of via een kanalensysteem naar de buitenlucht worden afgevoerd.
Artikel 4.129 (tijdelijk bouwwerk)
Artikel 4.129 bepaalt dat op de in de tabel genoemde gebruiksfuncties wat betreft de ventilatievoorziening de nieuwbouwregels onverkort van toepassing zijn op tijdelijke bouwwerken. Hiermee wordt ook bij tijdelijke woningen, kinderopvang en schoolgebouwen een gezond binnenmilieu gewaarborgd.
Hiermee is invulling gegeven aan artikel 4.8 dat bepaalt dat tenzij anders is aangegeven op een tijdelijk bouwwerk de regels voor bestaande bouw van toepassing zijn.
Zie ook de toelichting op het eerste lid van artikel 4.8.