Einde inhoudsopgave
Besluit kwaliteit leefomgeving - Nota van toelichting
8.1.6.4 Trillingen
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 292 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 292 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
De wens om regels te stellen voor trillingen door activiteiten
Net als geluid kunnen trillingen een nadelige invloed hebben op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Trillingen kunnen een negatieve invloed hebben op de gezondheid, door hinder en slaapverstoring, op het welzijn, en kunnen ook materiële schade aan gebouwen en andere zaken veroorzaken.
Trillingen ontstaan doordat een bron (bijvoorbeeld een machine) een kracht uitoefent op de constructie van een gebouw of op de bodem. Net als bij geluid kunnen trillingen beschreven worden in de trits ‘bron — overdracht — ontvanger’. Anders dan bij geluid vindt de overdracht van trillingen echter niet plaats via de lucht, maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden). De trilling plant zich voort in de bodem of de constructie en kan, hoewel de sterkte in het algemeen afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt, elders hinder of zelfs schade opleveren.
Onder het voormalige recht vond de beoordeling van trillingen haar grondslag in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, waarin de zorg voor een goede ruimtelijke ordening was voorgeschreven. Mogelijke trillinghinder moest worden betrokken in de beoordeling bij de toedeling van bestemmingen en de regels die met het oog daarop werden gesteld. Daarbij was de richtlijn Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen van de Stichting Bouwresearch (SBR) een belangrijke tool. Deze richtlijn bestaat uit drie delen: schade aan gebouwen (deel A), hinder voor personen in gebouwen (deel B) en storing aan apparatuur (deel C). Daarnaast kende afdeling 2.9 van het Activiteitenbesluit milieubeheer al regels over trillinghinder door inrichtingen. Daarin werd verwezen naar deel B van de SBR-richtlijn.
Toepassingsbereik
Het toepassingsbereik van de regels over trillingen is grotendeels gelijk aan dat van dat voor geluid. De aanwijzing van ‘trillinggevoelige gebouwen’ is grotendeels gelijk aan die voor geluidgevoelige gebouwen. Dat is conform afdeling 2.9 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Ook conform het vroegere recht is dat de regels over trillingen niet zien op woonwagens of drijvende woonfuncties. Veel van wat in paragraaf 8.1.6.2 is beschreven over de werkwijze bij geluid is ook van toepassing op trillingen en wordt hier kortheidshalve niet herhaald.
De regels betreffen de immissie van trillingen in trillinggevoelige ruimten door activiteiten. Het zijn dezelfde als de voorheen geldende immissieregels die zijn vastgelegd in deel BHinder voor personen in gebouwen van de SBR-richtlijn en die in afdeling 2.9 van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing waren verklaard.
Net als voorheen is het toepassingsbereik van de gestelde waarden beperkt tot trillingen in gebouwen in het frequentie-interval van 1 tot 80 Hz. Er is ook nu geen wettelijke normering van de gevolgen van trillingen met frequenties lager dan 1 Hz, die verschijnselen zoals misselijkheid kunnen veroorzaken. Overigens komt het nogal eens voor dat wat door bewoners als trilling wordt ervaren, in werkelijkheid laagfrequent geluid is dat via de lucht wordt overgedragen. Hiervoor gelden deze regels niet: hoorbaar laagfrequent geluid valt onder de instructieregels voor geluid in paragraaf 5.1.4.2 van dit besluit. Er is geen wettelijke normering van geluid met frequenties lager dan 25 Hz, dat niet hoorbaar is door mensen (infrasoon geluid).
Trillingen kunnen ook leiden tot verstoring van activiteiten, vooral die waarbij een grote mate van nauwkeurigheid vereist is, zoals in de fijnmechanische industrie, of waarbij trillinggevoelige apparatuur gebruikt wordt, bijvoorbeeld in meetinstituten, laboratoria, operatiezalen of computercentra. De SBR-richtlijn omschrijft dit als ‘kritische werkruimten’. De regels in dit besluit zijn echter niet bedoeld om te voorkomen dat de werking van machines en apparaten die bijzonder gevoelig zijn voor trillingen, wordt verstoord. Dat belang kan zeker aan de orde zijn bij het vaststellen van een omgevingsplan, maar dat valt buiten de reikwijdte van deze paragraaf omdat de gezondheid niet in het geding is. Gegeven het subsidiariteitsbeginsel stelt het Rijk hierover ook geen instructieregels in een andere paragraaf van dit hoofdstuk. Als bepaalde activiteiten leiden tot trillingen die leiden tot schade of storingen aan apparatuur kan dat aan de orde zijn bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De regels in dit besluit over trillingen zien ook op activiteiten op gezoneerde industrieterreinen; het komt overigens weinig voor dat trillingen van activiteiten op zo'n terrein daarbuiten voelbaar zijn. Voor geluid worden de regels voor industrieterreinen pas bij aanvullingsbesluit ingevoegd. De regels zien niet op doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Daarvoor bestond ook onder het voormalige recht geen landelijke bindende normering. Wel geldt voor tracébesluiten voor landelijke spoorwegen de Beleidsregel trillinghinder spoor.
De instructieregels leggen een wettelijke norm die van belang is voor veel voorkomende situaties. Zij bestendigen de lijn die in 2007 is ingezet met het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Het wettelijke regime laat echter onverlet dat het met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vereist kan zijn dat ook in andere gevallen een afweging plaatsvindt over de verenigbaarheid van activiteiten die trillingen veroorzaken met functies die trillingen ondervinden. Dat kan betekenen dat voldoende afstand wordt gehouden tussen die activiteiten en die functies, of dat er regels worden gesteld over de activiteiten. De streefwaarden voor trillingen in kantoorfuncties en bijeenkomstfuncties door activiteiten en voor trillingen die worden veroorzaakt door weg- en spoorverkeer in de SBR-richtlijn kunnen daarbij behulpzaam zijn.
Hoofdregel: aanvaardbaar
De instructieregels voor trillingen gelden bij het stellen van regels in het omgevingsplan die activiteiten en/of trillinggevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. De regels vragen van de gemeente om rekening te houden met trillingen en vervolgens met regels of waarden in het omgevingsplan te waarborgen dat de trillingen door een activiteit in een trillinggevoelige ruimten aanvaardbaar zijn.
Het uitgangspunt bij trillinghinder is primair dat continue trillingen niet voelbaar mogen zijn. Continue trillingen worden doorgaans veroorzaakt door stationaire installaties zoals compressoren of koelmachines en stans- en ponsactiviteiten. Herhaald voorkomende trillingen worden meestal veroorzaakt door het aan- en afrijden van vrachtwagens en andere transportmiddelen. Voor zowel de continue trillingen als de herhaald voorkomende trillingen zijn normen opgenomen. De normen voor de continue trillingen zijn strenger dan voor de herhaald voorkomende trillingen.
Standaardwaarden
Als het omgevingsplan activiteiten in de nabijheid van trillinggevoelige gebouwen mogelijk maakt, moet het omgevingsplan in beginsel bepalen dat de activiteit zo wordt verricht dat de belasting door trillingen in trillinggevoelige ruimten niet meer bedraagt dan de standaardwaarden die in dit besluit zijn opgenomen. De standaardwaarden voor trillingssterkte zijn ontleend aan het hierboven genoemde onderdeel B Hinder voor personen in gebouwen van de SBR-richtlijn. Daarbij wordt de trilling beoordeeld aan de hand van de maximaal optredende trillingssterkte (Vmax) en de gemiddelde trillingssterkte (Vper). Dat is vergelijkbaar met respectievelijk piekgeluid en het gemiddelde geluidniveau. Als de trillingssterkte onder deze waarden blijft, mag verwacht worden dat er geen hinder zal optreden.
In de regel worden trillingen door metingen in combinatie met berekeningen bepaald. Dit zal nader worden uitgewerkt bij ministeriële regeling. Bij nieuwe situaties moet met berekeningen (predicties) worden gewerkt.
De standaard trillingnormen zijn in het algemeen toereikend om voor de meeste situaties te voorzien in een evenwichtige belangenafweging en in passende regels voor trillingen door activiteiten.
Afwijken van de standaardwaarden
Als de bestuurlijke afweging leidt tot de conclusie dat activiteiten minder trillingen mogen veroorzaken dan in dit besluit is opgenomen, kunnen in het omgevingsplan strengere trillingwaarden worden opgenomen voor bepaalde locaties, voor bepaalde gebouwen of voor een of meer activiteiten. En waar de bestuurlijke afweging heeft geleid tot de conclusie dat een hogere belasting door trillingen acceptabel is, kunnen hogere waarden worden opgenomen. Dat kan echter alleen op bedrijventerreinen en tot maximaal de grenswaarden. Deze bedragen 1,8 maal de standaardwaarden. Ook hierbij is aangesloten bij de voornoemde SBR-richtlijn. Verder biedt het besluit de mogelijkheid om trillingen die bij inwerkingtreding rechtmatig waren opgenomen in vergunningen al of niet tijdelijk te continueren (voor geluid is een dergelijke regeling niet opgenomen, omdat de binnenwaarden al van toepassing waren bij inwerkingtreding van dit besluit).
Afwijken bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen
Als zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen kan de gemeenteraad in het omgevingsplan voor een daarbij vast te stellen periode of voor onbepaalde tijd andere trillingssterkten vaststellen, waarbij de landelijk geldende grenswaarden worden overschreden. Die andere waarden worden dan in het omgevingsplan opgenomen. Een dergelijk besluit is vergelijkbaar met het zogenoemde stap-3-besluit uit de voormalige Interimwet stad-en-milieubenadering. Het spreekt vanzelf dat het gebruik van deze bevoegdheid een extra motivering vergt. Hierop is nader ingegaan in paragraaf 8.1.3 in de sectie ‘Afwegingskader afwijken van basisbeschermingsniveau (grenswaarden) als zwaarwegende economische of maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen’.
Verkorte en schematische weergave
De boven beschreven mogelijkheden zijn hieronder samengevat en in figuur 8.7 schematisch weergegeven.
Ter invulling van de norm ‘aanvaardbaar’ moet de gemeente een keuze maken uit de opties die het besluit biedt. Als standaardoptie worden trillingwaarden aangeboden, maar de gemeente kan gemotiveerd kiezen uit vier opties.
Zoals beschreven in het toepassingsbereik onder geluid gelden de regels alleen voor activiteiten die aan locaties toedeelbaar zijn en niet voor wonen. Ook geldt voor de volgende trillinggevoelige gebouwen een uitzondering op de hoofdregel:
- •
korter dan tien jaar toegelaten gebouwen: geen waarden of gebruiksregels vereist;
- •
functioneel verbonden gebouwen: geen waarden, eventueel wel gebruiksregels;
- •
voorheen functioneel verbonden gebouwen, als aangewezen: geen waarden, eventueel wel gebruiksregels.
Figuur 8.7. Schematische weergave van de hoofdlijnen van de regels voor trillingen. Uitzonderingen voor specifieke gebouwen en activiteiten zijn hier omwille van het overzicht weggelaten
