Einde inhoudsopgave
Circulaire aan de gemeentebesturen betreffende de nieuwe Kieswet per 1 november 1989
Tekst
Geldend
Geldend vanaf 10-11-1989
- Bronpublicatie:
16-10-1989, Stcrt. 1989, 220 (uitgifte: 10-11-1989, regelingnummer: CW88/13/U74)
- Inwerkingtreding
10-11-1989
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
16-10-1989, Stcrt. 1989, 220 (uitgifte: 10-11-1989, regelingnummer: CW88/13/U74)
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Decentralisatie
Staatsrecht / Kiesrecht
1. Inleiding
Bij de wet van 28 september 1989 (Stb. 423) is een geheel herziene Kieswet vastgesteld. Deze wet zal op 1 november a.s. in werking treden.
Op dezelfde datum zullen ook in werking treden:
- a.
het nieuw vastgestelde Kiesbesluit;
- b.
- c.
- d.
De in 1990 te houden gemeenteraadsverkiezingen zullen de eerste verkiezingen zijn waarop de herziene Kieswet van toepassing is. Bij de nog dit jaar in Groningen en de kop van Noord-Holland te houden herindelingsverkiezingen zullen de bepalingen van de oude Kieswet nog gelden.
In deze circulaire wordt uiteengezet op welke punten van enige betekenis de nieuwe Kieswet afwijkt van de oude. Waar nodig komen ook het nieuwe Kiesbesluit en de nieuwe Kieswetmodellen ter sprake. Het gaat daarbij vooral om punten die van belang zijn voor met de uitvoering van de Kieswet belaste organen en ambtenaren in alle gemeenten. In een afzonderlijke circulaire aan de besturen van de gemeenten waar hoofdstembureaus voor de verkiezingen van de Tweede Kamer en van provinciale staten zijn gevestigd, zal aandacht worden besteed aan enkele onderwerpen die alleen voor die gemeenten van belang zijn.
De circulaire is ingedeeld in vijf hoofdstukken. Na deze indeling volgen hoofdstukken over de registratie van de aanduidingen van politieke groeperingen, over de kandidaatstelling en over de stemming, de stemopneming en de vaststelling van de uitslag. Het vijfde en laatste hoofdstuk gaat op een aantal onderwerpen van verschillende aard in. Bij deze circulaire is een afschrift gevoegd van een circulaire aan de besturen van politieke partijen over de nieuwe Kieswet Die circulaire heb ik gezonden aan de besturen van de landelijke politieke partijen. Wellicht kunt u die circulaire beschikbaar stellen voor de plaatselijke politieke partijen die in uw gemeente actief zijn.
Telefonische inlichtingen over de nieuwe Kieswet kunnen worden ingewonnen bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Stafafdeling Constitutionele Zaken en Wetgeving, telefoonnummer 070-716266.
Tevens vestig ik uw aandacht op de studiemiddagen over de nieuwe Kieswet die het Centraal Instituut Vorming en Opleiding Bestuursdienst (CIVOB) heeft georganiseerd in samenwerking met het Ministerie van Binnenlandse Zaken, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de Vereniging voor Bevolkingsboekhouding en Militaire Zaken en enkele praktijkdeskundigen. Deze studiemiddagen zullen in oktober en november worden gehouden op de verschillende bestuursacademies. Voor inlichtingen over deze studiemiddagen kunt u zich wenden tot het CIVOB (telefoon: 070-614901) of tot de bestuursacademie in uw regio.
2. Registratie van de aanduidingen van politieke groeperingen
2.1. Vereiste dat de politieke groepering een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid is
Ingevolge artikel G 3, eerste lid, van de nieuwe Kieswet zal een politieke groepering die om registratie van haar aanduiding voor de gemeenteraadsverkiezingen verzoekt, voortaan een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid dienen te zijn. Het stellen van deze eis strekt ertoe al te lichtvaardige registratieverzoeken te voorkomen. Ten bewijze van het zijn van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid wordt in het derde lid van artikel G 3 overlegging vereist van een afschrift van de notariële akte waarin de statuten van de vereniging zijn vastgelegd. Voorts wordt bepaald dat bij een registratieverzoek een bewijs moet worden overgelegd van inschrijving in het verenigingsregister, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
De nieuwe regeling sluit niet uit dat politieke groeperingen die geen vereniging met volledige rechtsbevoegdheid zijn, een kandidatenlijst indienen. Zij zullen alleen geen kandidatenlijst kunnen indienen waarboven een aanduiding van de groepering is geplaatst. De te registreren aanduiding kan de volledige naam van de groepering zijn, een afkorting van de naam of een andere aanduiding. Men kan ook de naam én de afkorting laten registreren, doch dan zal men ook beide boven de kandidatenlijst moeten plaatsen. Het is derhalve niet meer mogelijk om in dat geval alleen de naam of afkorting boven de lijst te plaatsen.
2.2. Betaling van een waarborgsom
Het tweede lid van het nieuwe artikel G 3 schrijft voor dat voor de registratie een waarborgsom van fl. 250 moet worden betaald aan de gemeente. Dit bedrag moet worden overgemaakt op de daartoe bestemde rekening van de gemeente, onder vermelding van de woorden ‘waarborgsom registratie’ (art. G 1, eerste lid, Kiesbesluit).
Degene die de betaling heeft verricht, ontvangt een bewijs daarvan. Voor dit bewijs is het nieuwe model G 1-3 ontworpen. Het derde lid van artikel G 3 schrijft voor dat dit bewijs moet worden overgelegd bij het registratieverzoek. Ingevolge het tweede lid van artikel G 3 moet de waarborgsom aan degene die de betaling heeft verricht, worden terugbetaald, indien voor de eerstkomende verkiezing na de beslissing op het registratieverzoek een geldige kandidatenlijst wordt ingeleverd.
Ook het stellen van dit vereiste strekt ertoe registratieverzoeken van groeperingen die niet werkelijk van plan zijn om aan de verkiezing deel te nemen, tegen te gaan.
2.3. Permanente registratie
Ingevolge artikel G 3 van de nieuwe Kieswet zal bij gemeenteraadsverkiezingen hetzelfde systeem van permanente registratie gaan gelden dat onder de oude Kieswet al bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer en provinciale staten gold. Het systeem van permanente registratie houdt in dat een politieke groepering, zolang zij bij gemeenteraadsverkiezingen een geldige kandidatenlijst blijft inleveren, voor de eerstkomende verkiezing niet opnieuw een registratieverzoek behoeft in te dienen.
In dit systeem zijn politieke groeperingen voor het indienen van een dergelijk verzoek niet meer gebonden aan de termijn van twee weken tussen de achtste en zesde week voor de dag van de kandidaatstelling. Het nieuwe artikel G 3, eerste lid, bepaalt wel dat registratieverzoeken, ingediend na de drieënveertigste dag voor de kandidaatstelling, voor de daaropvolgende verkiezing buiten behandeling blijven. In aansluiting op het vervallen van de registratietermijn is ook de bepaling vervallen dat de burgemeester ten minste negen weken voor de kandidaatstelling de bevoegdheid om binnen die termijn een registratieverzoek in te dienen, ter openbare kennis brengt.
2.4. Doorwerking van de registratie voor de verkiezingen voor de Tweede Kamer en provinciale staten naar de verkiezingen voor de gemeenteraad
Op grond van het nieuwe artikel G 4 kunnen groeperingen die bij het centraal stembureau voor de verkiezing van de Tweede Kamer of bij het centraal stembureau voor de verkiezing van provinciale staten een aanduiding hebben laten registreren, van die aanduiding ook gebruik maken bij de raadsverkiezingen, zonder dat zij daartoe een afzonderlijk registratieverzoek bij de centrale stembureaus voor de raadsverkiezingen behoeven in te dienen.
Mede met het oog op deze doorwerking van de registratie zal ingevolge de nieuwe Kieswet elke groepering die om registratie verzoekt bij het centraal stembureau voor de verkiezing van de Tweede Kamer dan wel bij het centraal stembureau voor provinciale staten een gemachtigde en diens plaatsvervanger moeten aanwijzen, die bevoegd zijn namens de groepering op te treden. Aan deze gemachtigden is de bevoegdheid toegekend bij zowel kamer-, staten- als raadsverkiezingen de indieners van lijsten te machtigen de geregistreerde aanduiding boven de lijst te plaatsen. Het nieuwe systeem van doorwerking van de registratie naar de raadsverkiezingen lijdt in één specifiek geval uitzondering. Het betreft hierbij het geval dat voor de verkiezingen van de Tweede Kamer of provinciale staten een aanduiding wordt geregistreerd die geheel of in hoofdzaak overeenstemt met een reeds eerder voor de raadsverkiezing geregistreerde aanduiding en dat daardoor verwarring te duchten is. In een dergelijk geval dient ingevolge het tweede lid van artikel G 4 het centraal stembureau voor de verkiezing van de gemeenteraad te bepalen dat de doorwerking van de registratie niet plaatsvindt.
Om te bereiken dat de centrale stembureaus voor de verkiezing van de gemeenteraad bekend zijn met de op landelijk of provinciaal niveau geregistreerde aanduidingen en met de namen van de gemachtigden en van hun plaatsvervangers, is in het nieuwe artikel G 1, zevende lid, bepaald dat het centrale stembureau voor de verkiezing van de Tweede Kamer (de Kiesraad) deze op de veertigste dag voor de kandidaatstelling voor de verkiezing van de gemeenteraad ter openbare kennis brengt in de Nederlandse Staatscourant. In het zevende lid van het nieuwe artikel G 2 is een overeenkomstige verplichting opgenomen voor de centrale stembureaus voor de verkiezing van provinciale staten.
Een beslissing van een centraal bureau voor de verkiezing van de gemeenteraad dat de doorwerking van een bepaalde aanduiding niet plaatsvindt, moet ingevolge het derde lid van artikel G 4 worden genomen uiterlijk op de veertiende dag na de dagtekening van de Nederlandse Staatscourant waarin de hierboven bedoelde bekendmaking is gedaan. Aan de gemachtigde van de desbetreffende groepering moet terstond een afschrift van een dergelijke beslissing worden gezonden.
2.5. Gronden voor afwijzing van het registratieverzoek en voor schrapping van eèn geregistreerde aanduiding
De gronden waarop een registratieverzoek kan worden afgewezen, zijn enigszins anders geformuleerd. Bovendien is een tweetal afwijzingsgronden toegevoegd.
Allereerst is duidelijker aangegeven dat het verzoek dient te worden afgewezen, indien de aanduiding strijdig is met de openbare orde (art. G 3, vierde lid, onder a). Daarmee is thans uitgesloten dat bij de beslissing over een registratieverzoek een inhoudelijke toetsing van doelstelling of activiteiten van politieke groeperingen kan plaatsvinden.
Voorts is bepaald dat een registratieverzoek moet worden afgewezen, niet alleen indien de te registreren aanduiding te zeer overeenstemt met een reeds geregistreerde aanduiding van een andere groepering, maar ook indien zij anderszins misleidend is voor de kiezers (art. G 3, vierde lid, onder c). Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn, indien de aanduiding overeenstemt met de naam van een opgeheven politieke groepering waarvan de naam nog een bekende klank heeft (bijv. SDAP, KVP).
Nieuw is de afwijzingsgrond die in het vierde lid, onder e, is opgenomen: het registratieverzoek moet worden afgewezen, indien de aanduiding geheel of in hoofdzaak overeenstemt met die van een rechtspersoon die bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak verboden is verklaard en deswege is ontbonden.
De tweede nieuwe afwijzingsgrond heeft betrekking op het geval dat twee verzoeken om registratie van geheel of in hoofdzaak gelijkluidende aanduidingen op dezelfde dag worden ingediend. Ingevolge het vierde lid, onder f, dienen beide registratieverzoeken in dat geval te worden afgewezen, tenzij een van beide verzoeken reeds op een andere in het vierde lid genoemde grond moet worden afgewezen.
Aan de gronden tot schrapping van een geregistreerde aanduiding is in de nieuwe Kieswet een vierde grond toegevoegd: de aanduiding dient uit het register te worden geschrapt, indien de desbetreffende groepering als vereniging verboden is verklaard en deswege is ontbonden (art. G 3, zesde lid, onder d).
2.6. Mogelijkheid van samenvoeging van aanduidingen
Steeds vaker doet zich het verschijnsel voor dat landelijke politieke partijen bij gemeenteraadsverkiezingen een gezamenlijke kandidatenlijst inleveren waarboven een aanduiding wordt geplaatst die een samenvoeging is van de aanduidingen van de deelnemende groeperingen. In de nieuwe Kieswet is op dit punt een regeling opgenomen die ertoe strekt dat in dergelijke gevallen een afzonderlijke registratie van de gecombineerde aanduiding achterwege kan blijven. De indiener van de lijst dient in dat geval een verklaring over te leggen, ondertekend door de gemachtigden van de deelnemende groeperingen, dat hij bevoegd is een door samenvoeging van de onderscheidene aanduidingen gevormde aanduiding boven de lijst te plaatsen (art. H 3, derde lid). Voor deze verklaring is het nieuwe model H 3-2 vastgesteld.
3. Kandidaatstelling
3.1. De inlevering en ondersteuning van kandidatenlijsten
In de bepalingen over de inlevering van de kandidatenlijsten is het tijdstip waarop uiterlijk de kandidatenlijst moet zijn ingeleverd, van 17.00 uur veranderd in 15.00 uur (art. H 1, eerste lid). Voorts zal de voorzitter van het hoofdstembureau of het door deze aangewezen lid van dat bureau voortaan kunnen verlangen dat de inleveraar van zijn identiteit doet blijken (art. H 3, eerste lid).
In het recente verleden zijn in sommige gevallen bij verkiezingen onder valse voorwendselen handtekeningen onder kandidatenlijsten verzameld. Naar aanleiding van deze gevallen is de regeling van de ondersteuning van kandidatenlijsten gewijzigd.
De nieuwe regeling, die in artikel H 4 is opgenomen, houdt in dat een kiezer die een kandidatenlijst wil ondersteunen, binnen een termijn van zeven dagen voorafgaand aan de kandidaatstelling ter gemeentesecretarie een zgn. verklaring van ondersteuning zal moeten afleggen. Voor deze verklaring is het nieuwe model H 4 vastgesteld. Evenals de formulieren voor de kandidatenlijsten dienen de formulieren voor deze verklaringen gedurende drie weken vóór en op de dag van de kandidaatstelling kosteloos ter secretarie verkrijgbaar te zijn (art. H 1, tweede lid, en art. H 1 Kiesbesluit).
De kiezer die een dergelijke verklaring wenst af te leggen, dient deze te ondertekenen in aanwezigheid van de burgemeester of een door deze daartoe aangewezen ambtenaar. De kiezer zal daarbij blijk moeten geven van zijn identiteit. De burgemeester of de ambtenaar zal vervolgens onverwijld moeten nagaan of de ondertekenaar als kiezer in zijn gemeente is geregistreerd. Indien hem blijkt dat dit het geval is, tekent hij dit op de verklaring aan. De kiezer draagt er zorg voor dat de verklaring in het bezit komt van de inleveraar van de kandidatenlijst.
In het zesde lid van artikel H 4 wordt uitdrukkelijk bepaald dat een overgelegde verklaring van ondersteuning niet kan worden ingetrokken. Het verdient aanbeveling voor de ondertekening van ondersteuningsverklaringen een afgescheiden ruimte in te richten om te voorkomen dat kiezers door actievoerenden op ongeoorloofde wijze onder druk worden gezet.
Voor de gevestigde partijen brengt de regeling inzake de ondersteuning van kandidatenlijsten onnodig veel administratieve rompslomp met zich mee. Daarom is in het achtste lid van artikel H 4 bepaald dat de verplichting tot ondersteuning van een kandidatenlijst niet geldt voor een lijst van een politieke groepering, indien de aanduiding daarvan was geplaatst boven een kandidatenlijst waaraan bij de laatstgehouden (raads)verkiezing een of meer zetels zijn toegekend. Deze uitzonde ring is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van samenvoeging van aanduidingen van twee of meer groeperingen.
3.2. De inrichting van de kandidatenlijst
Bij de herziening van de Kieswet zijn de voorschriften inzake het aantal kandidaten dat op een kandidatenlijst mag worden geplaatst, voor de verschillende verkiezingen geüniformeerd. De hoofdregel is dat op iedere lijst de namen van ten hoogste dertig kandidaten mogen worden geplaatst. Op de lijst van een politieke groepering wier naam was geplaatst boven de kandidatenlijst waaraan bij de laatstgehouden (raads)verkiezing meer dan vijftien zetels zijn toegekend, mag echter een aantal namen worden geplaatst dat ten hoogste tweemaal het aantal zetels bedraagt, doch nimmer meer dan tachtig. Deze regeling is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van samenvoeging van aanduidingen van twee of meer groeperingen (art. H 6, tweede lid).
In deze opzet is de oude regeling dat voor de verkiezing van de raden van gemeenten met meer dan 20.000 inwoners op een lijst, indien deze voor een voorkeurnummer wordt aanbevolen, de namen van ten hoogste veertig kandidaten mogen worden geplaatst, vervallen.
In de nieuwe Kieswet is voorts de bepaling opgenomen dat personen van wie vaststaat dat zij gedurende de zittingsperiode niet de voor het lidmaatschap van het vertegenwoordigend orgaan vereiste leeftijd bereikt zullen hebben, niet op een kandidatenlijst mogen voorkomen (art. H 7, eerste lid). Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat zulke personen kandidaat worden gesteld en de kiezers daardoor zouden worden misleid.
Ook is een bepaling opgenomen waarmee wordt voorkomen dat bij raadsverkiezingen een landelijk bekend politicus in een groot aantal gemeenten op de lijst van zijn partij wordt geplaatst. Ingevolge deze bepaling zal, indien voor een gemeenteraadsverkiezing op een lijst de naam voorkomt van een kandidaat die geen ingezetene van de gemeente is, bij de lijst een door die kandidaat ondertekende verklaring moeten worden overgelegd waaruit blijkt dat hij het voornemen heeft zich bij benoeming in die gemeente te vestigen (art. H 7, derde lid).
3.3. Betaling van een waarborgsom
Ten einde een drempel op te werpen voor een al te groot aantal kandidatenlijsten van politieke groeperingen die geen serieuze kans op een zetel maken, is in de nieuwe Kieswet ook voor de gemeenteraadsverkiezingen de verplichting opgenomen dat voor het indienen van een kandidatenlijst een waarborgsom moet worden gestort. Deze waarborgsom bedraagt f 500 (art. H 14, eerste lid). Dit bedrag moet uiterlijk op de veertiende dag voor de kandidaatstelling zijn ontvangen op de daartoe bestemde rekening van de gemeente, onder vermelding van de woorden ‘waarborgsom kandidaatstelling’ (art. H 3, eerste lid, Kiesbesluit). Degene die de betaling heeft verricht, ontvangt een bewijs daarvan (model H 12). Dit bewijs moet worden overgelegd bij de indiening van de lijst (art. H 14, derde lid).
Ingevolge het vierde lid van artikel H 14 moet na de vaststelling van de uitslag van de verkiezing de waarborgsom aan degene die de betaling heeft verricht, worden terugbetaald, tenzij het stemcijfer van de lijst lager is dan 75% van de kiesdeler.
Zoals onder de oude Kieswet al gold bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer en provinciale staten, geldt de verplichting tot bepaling van de waarborgsom niet voor politieke groeperingen die reeds in de gemeenteraad zijn vertegenwoordigd (art. H 14, tweede lid).
3.4. De lijstencombinatie
In de nieuwe Kieswet is de mogelijkheid van lijstencombinatie uitgebreid tot de gemeenteraadsverkiezingen. Ingevolge artikel I 10, eerste lid, kunnen op de dag van de kandidaatstelling, tussen 9.00 en 17.00 uur, kandidatenlijsten van verschillende groeperingen tot een lijstencombinatie worden verbonden door inlevering bij het centraal stembureau van een daartoe strekkende gemeenschappelijke verklaring van de op de lijsten vermelde gemachtigden. Voor deze verklaring is model I 10 vastgesteld.
Krachtens het tweede lid van artikel I 10 kan een zodanige verbinding bij een gemeenteraadsverkiezing slechts tot stand worden gebracht tussen politieke groeperingen waarvan de aanduiding ten behoeve van die verkiezing — eventueel op grond van doorwerking — is geregistreerd. Dit is mede van toepassing ten aanzien van samenvoeging van aanduidingen van twee of meer groeperingen (art. I 10, derde lid). Uit artikel I 10, tweede lid, vloeit verder voort dat een politieke groepering maar van één combinatie deel kan uitmaken. Het is dus niet mogelijk dat een groepering deel uitmaakt van zowel een combinatie met groepering B als van een afzonderlijke combinatie met groepering C. Bij verkiezingen van gemeenteraden met 19 of meer zetels vergroot de vorming van een lijstencombinatie de kans op het verwerven van een (extra) restzetel. Bij dergelijke verkiezingen geldt voor de verdeling van restzetels het systeem van de grootste gemiddelen. Dat systeem werkt in het voordeel van de grotere partijen. Omdat een lijstencombinatie bij de zetelverdeling in eerste instantie als één lijst wordt beschouwd, leidt dat bij die verkiezingen dus tot een grotere kans op een restzetel.
Bij verkiezingen van gemeenteraden met minder dan 19 zetels geldt voor de verdeling van restzetels het systeem van de grootste overschotten. Aangezien dit systeem in het voordeel van de kleinere partijen werkt, kan de vorming van een lijstencombinatie bij die verkiezingen de kans op het behalen van een restzetel nadelig beïnvloeden.
3.5. De beslissing over de geldigheid van de kandidatenlijsten
In 3.1. is vermeld dat het tijdstip waarop uiterlijk de kandidatenlijst moet zijn ingeleverd, van 17.00 uur in 15.00 uur is veranderd. In samenhang daarmee is het tijdstip waarop de zitting tot het onderzoeken van de kandidatenlijsten een aanvang moet nemen, in het nieuwe artikel I 1, eerste lid, bepaald op 16.00 uur. Volgens de oude Kieswet werd deze zitting gehouden ‘onmiddellijk na het verstrijken van de tijd waarbinnen lijsten van kandidaten kunnen worden ingeleverd’. Door de vervroeging naar 16.00 uur kan worden voorkomen dat brieven waarin verzuimen aan de inleveraar van een lijst worden meegedeeld, niet meer op tijd als aangetekend stuk bij een postkantoor kunnen worden aangeboden. In de regeling inzake de mogelijkheid tot het herstel van verzuimen ten aanzien van de kandidatenlijst, zijn de volgende wijzigingen aangebracht:
- a.
Aan de herstelbare verzuimen is toegevoegd het ontbreken van de verklaring van de kandidaat die buiten de gemeente woonachtig is, dat hij voornemens is te verhuizen (zie ook 3.2.).
- b.
Het verzuim dat de aanbeveling voor een voorkeurnummer ontbreekt, is niet meer opgenomen. Dat houdt verband met de wijziging van de regeling inzake de nummering van de kandidatenlijsten (zie 3.6.).
- c.
Een nieuw herstelbaar verzuim bij gemeenteraadsverkiezingen is, indien ten behoeve van de lijst een waarborgsom moet worden betaald, het ontbreken van een bewijs van betaling (zie ook 3.3.)
- d.
Bij verhindering of ontstentenis van degene die de lijst heeft ingeleverd, zal voortaan een daartoe op de kandidatenlijst aangewezen persoon de inleveraar kunnen vervangen om verzuimen ten aanzien van de kandidatenlijst te herstellen. De oude regeling op dit punt, die in vervanging door één van de ondertekenaars van de lijst voorzag, kon niet worden gehandhaafd, omdat het vereiste van ondersteuning van de lijst voor bepaalde partijen is vervallen (zie 3.1.).
- e.
Het uiterste tijdstip waarop verzuimen kunnen worden hersteld, is op de laatste dag van de termijn die daarvoor geldt — de derde dag na de kandidaatstelling — van 17.00 uur vervroegd naar 15.00 uur. Ingevolge de nieuwe Kieswet vangt op de derde dag na de kandidaatstelling om 17.00 uur de zitting van het hoofdstembureau aan waarin over de geldigheid van de kandidatenlijsten wordt beslist. De vervroeging van het uiterste tijdstip voor het herstel van verzuimen op die dag naar 15.00 uur geeft enige ruimte om deze zitting voor te bereiden.
Omdat voortaan ook bij gemeenteraadsverkiezingen ten behoeve van lijsten van ‘nieuwe’ groeperingen een waarborgsom moet worden betaald, geldt ook bij die verkiezingen dat deze lijsten ongeldig moeten worden verklaard, indien daarbij geen bewijs van betaling van de waarborgsom is gevoegd (vgl. art. I 5, onder b).
Aan de gronden tot schrapping van de naam van een kandidaat zijn in artikel I 6, eerste lid, drie nieuwe toegevoegd. Daardoor zal bij gemeenteraadsverkiezingen voortaan ook de naam moeten worden geschrapt van een kandidaat:
- 1.
die tijdens de zittingsperiode van de gemeenteraad niet de voor het zitting nemen in de gemeenteraad vereiste leeftijd bereikt;
- 2.
die geen ingezetene is van de gemeente, en ten aanzien van wie de verklaring dat hij voornemens is zich bij benoeming in de gemeente te vestigen ontbreekt;
- 3.
die heeft verklaard dat hij voornemens is zich bij benoeming in de gemeente te vestigen, en ten aanzien van wie blijkt dat hij tevens een zodanige verklaring heeft afgelegd voor de verkiezing van een andere gemeenteraad.
Een nieuwe grond om tot schrapping van de aanduiding van een politieke groepering boven een kandidatenlijst over te gaan is dat de aanduiding geplaatst is boven meer dan één van de ingeleverde lijsten (art. I 6, tweede lid). Op grond van artikel I 18, derde lid, onder a, van de nieuwe Kieswet moeten de processen-verbaal van de zittingen van de hoofdstembureaus waarin het onderzoek van de kandidatenlijsten en de beslissing over de geldigheid van deze lijsten plaatsvinden, ter inzage worden gelegd. Artikel I 1, eerste lid, van het nieuwe Kiesbesluit bepaalt dat deze terinzagelegging ter secretarie plaatsvindt tot en met de dag waarop de kandidatenlijsten openbaar worden gemaakt.
3.6. De nummering van de kandidatenlijsten
In de nieuwe Kieswet komen de artikelen over de aanbeveling voor een voorkeurnummer niet meer voor. In de plaats daarvan is een regeling gekomen waarin bij de lijstnummering rekening wordt gehouden met de aantallen stemmen die de onderscheidene politieke groeperingen bij de vorige verkiezing hebben behaald. Artikel I 14, eerste lid, waarin deze regeling is opgenomen, luidt:
‘Eerst worden genummerd de lijsten van politieke groeperingen wier aanduiding was geplaatst boven een kandidatenlijst waaraan bij de laatstgehouden verkiezing van de leden van het desbetreffende vertegenwoordigend orgaan een of meer zetels zijn toegekend. Aan deze lijsten worden de nummers 1 en volgende toegekend in de volgorde van de bij die verkiezing op de desbetreffende lijsten uitgebrachte aantallen stemmen, met dien verstande dat aan de lijst van de groepering met het hoogste aantal stemmen het nummer 1 wordt toegekend. Bij gelijkheid van het aantal beslist het lot. Het bepaalde in de vorige volzinnen is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van samenvoeging van aanduidingen van twee of meer groeperingen.’ Op grond van artikel I 18, derde lid, onder a, van de nieuwe Kieswet moet het proces-verbaal van de zitting van het centrale stembureau waarin de nummering van de lijsten plaatsvindt, ter inzage worden gelegd. Artikel I 1, tweede lid, van het nieuwe Kiesbesluit bepaalt dat deze terinzagelegging ter secretarie plaatsvindt tot en met de dag waarop de kandidatenlijsten openbaar worden gemaakt.
4. De stemming, de stemopneming en de vaststelling van ie uitslag
4.1. De voorbereiding van de stemming
Artikel I 5a van de oude Kieswet gaf aan de gemeenteraad de mogelijkheid te bepalen dat tegelijk met een stemming ingevolge de Kieswet in het stemlokaal de stemming voor een andere, door de gemeenteraad uitgeschreven verkiezing plaatsvindt, bijvoorbeeld een verkiezing voor een deelgemeenteraad. In de nieuwe Kieswet is artikel J 6, dat voor het oude artikel I 5a in de plaats is gekomen, zo geredigeerd dat naast een combinatie met een deelgemeenteraadsverkiezing ook een combinatie met een raadplegend referendum op lokaal niveau mogelijk is.
In het oude artikel I 8 werd bepaald dat de burgemeester ten minste drie dagen vóór de stemming de naam van het orgaan waarvoor de stemming wordt gehouden, de dag en uren waarop de stemming plaatsvindt, en de inhoud van artikel 128 van het Wetboek van Strafrecht ter openbare kennis brengt. Met het oog op het streven naar deregulering is dit artikel komen te vervallen.
Onder de oude Kieswet mocht op de achterzijde van het stembiljet alleen de handtekening van de voorzitter van het hoofdstembureau worden gedrukt. Dat kon bij de gemeenteraadsverkiezingen tot gevolg hebben dat stembiljetten van een verkeerde afdruk op de achterzijde werden voorzien, omdat de handtekeningen van de als voorzitter van het hoofdstembureau optredende burgemeesters niet voldoende bekend waren. Met het oog daarop mag op de achterzijde van het stembiljet voortaan tevens de naam van de gemeente worden gedrukt (art. J 20, eerste lid).
4.2. De inrichting van het stemlokaal
Naast de reeds in de oude Kieswet voorkomende bepaling over het verlenen van bijstand aan lichamelijk gehandicapten bevat de nieuwe Kieswet in artikel J 4, tweede lid, de bepaling dat het gemeentebestuur ervoor moet zorg dragen dat zoveel mogelijk stemlokalen zodanig zijn gelegen en ingericht dat zij geschikt zijn voor kiezers met lichamelijke gebreken. Voorts wordt bepaald dat de burgemeester de adressen van deze stemlokalen ter openbare kennis brengt, onder vermelding van de mogelijkheid aldaar met behulp van een kiezerspas (voorheen: kiezerslegitimatiekaart) de stem uit te brengen.
Het derde lid van artikel I 6 van de oude Kieswet bepaalde dat de kandidatenlijsten op de dag van de stemming in afdruk in het stemlokaal worden opgehangen. Uit een oogpunt van de regulering is deze bepaling niet in de nieuwe Kieswet overgenomen. Daarbij is overwogen dat de kandidatenlijsten ook al op de stembiljetten staan. Het wordt aan de gemeentebesturen overgelaten om te beslissen of kandidatenlijsten bovendien nog in afdruk in het stemlokaal worden opgehangen.
Het voorschrift dat op de tafel van ieder stembureau een exemplaar van de Kieswet en het Kiesbesluit ligt, is vervangen door het beperktere voorschrift dat ieder stembureau over de wettelijke voorschriften beschikt die op de stemming betrekking hebben (art. J 17, tweede lid). Dat impliceert dat volstaan kan worden met aan stembureaus een beperkte editie van de Kieswet — zonder bijvoorbeeld de bepalingen over de verkiezing van de Eerste Kamer en de niet voor de stemming van belang zijnde modellen — ter beschikking te stellen.
In artikel J 3 van het nieuwe Kiesbesluit zijn enige voorschriften opgenomen omtrent de wijze waarop de stembus moet zijn vervaardigd. In vergelijking met artikell[lees: artikel] I 6 van het oude Kiesbesluit zijn onnodige details weggelaten. Daartoe ook het voorschrift dat de stembus rond moet zijn.
In het nieuwe Kiesbesluit wordt niet langer voorgeschreven dat de lessenaar in het stemhokje ten minste een meter hoog is. Dat betekent dat het nu ook op grond van het Kiesbesluit geoorloofd is de lessenaar op een zodanige hoogte te plaatsen dat het stemhokje ook geschikt is voor personen die een rolstoel gebruiken (vgl. Circulaire van de Minister van Binnenlandse Zaken van 20 april 1982 over de toegankelijk heid van stemlokalen voor gehandicapten).
In artikel J 36 van de nieuwe Kieswet wordt uitdrukkelijk verboden in het stemlokaal activiteiten te ontplooien die erop gericht zijn de kiezers in hun keuze te beïnvloeden. Indien in het stemlokaal op enigerlei wijze verkiezingspropaganda wordt bedreven, zal de voorzitter van het stembureau hieraan een einde moeten maken met gebruikmaking van de bevoegdheden die de Kieswet hem geeft ter handhaving van de orde.
4.3. Het stembureau
Het voorschrift dat de voorzitter en de leden van de stembureaus moeten worden benoemd uit de kiesgerechtigde ingezetenen van de gemeente, is vervallen. Voortaan zullen derhalve bijvoorbeeld ook gemeenteambtenaren die buiten de gemeentegrenzen wonen, tot lid van een stembureau kunnen worden benoemd. Ook het voorschrift dat de voorzitters van de stembureaus zoveel mogelijk uit de leden van de raad worden benoemd, is in de nieuwe Kieswet niet overgenomen.
De voorzitter en de leden van het stembureau en de personen die het stembureau ten dienste staan, zijn niet langer verplicht hun stem in dat stembureau uit te brengen. Het nieuwe artikel J 11 geeft hun de keuze om bij dat stembureau of bij het stembureau van het voor hen aangewezen stemdistrict aan de stemming deel te nemen. Daardoor zullen zij voortaan ook in hun eigen stemdistrict met een overgedragen oproepingskaart voor een ander als gemachtigde kunnen stemmen.
Teneinde elke schijn van partijdigheid van de leden van het stembureau bij de uitoefening van hun functie te vermijden, is in het nieuwe artikel J 14 bepaald dat deze leden tijdens de uitoefening van hun functie geen blijk mogen geven van hun politieke gezindheid. In concreto betekent dit dat de leden van het stembureau bijvoorbeeld geen speldjes, buttons of dassen van politieke partijen mogen dragen tijdens de uitoefening van hun functie. Het voorschrift in het oude artikel I 32 dat het derde lid van het stembureau aantekening houdt van het aantal in de stembus gestoken stembiljetten, is komen te vervallen. In de praktijk bestond hieraan geen behoefte, omdat reeds aantekening wordt gehouden van het aantal aangemelde kiezers en het aantal uitgereikte stembiljetten. Deze aantallen kunnen vergeleken worden met het aantal in de stembus aangetroffen stembiljetten.
Het oude artikel I 35 is eveneens vervallen. Daarin werd de kiezer in bepaalde gevallen verplicht het stembiljet terug te geven, en aan de voorzitter voorgeschreven dat, indien de kiezer dat weigert, hij daarvan aantekening houdt. In de plaats daarvan schrijft het nieuwe artikel J 29 voor dat, indien een kiezer weigert het stembiljet in de bus te steken, de voorzitter daarvan aantekening houdt.
4.4. Het stemmen in een stembureau naar keuze
De term ‘kiezerslegitimatiekaart’ is in de nieuwe Kieswet vervangen door: kiezerspas (art. K 4, eerste lid). In verband daarmee moet in de lijst met kiezers die op de tafel van het stembureau komt te liggen, bij de naam van de kiezer aan wie een kiezerspas is verstrekt, voortaan de aantekening ‘pas’ worden geplaatst in plaats van ‘k.leg.k’.
Bij een schriftelijk verzoek om een kiezerspas dient de kiezer, indien hij reeds een oproepingskaart heeft ontvangen, deze ingevolge het nieuwe artikel K 6, eerste lid, bij het verzoek te voegen.
4.5. Het stemmen bij volmacht
In de nieuwe Kieswet wordt bepaald dat de gemachtigde, ook indien deze via de verzoekschriftprocedure is aangewezen, de volmachtstem uitsluitend tegelijk met zijn eigen stem kan uitbrengen (art. L 3). In de oude Kieswet gold dit voorschrift alleen voor degene aan wie een onderhandse volmacht is verleend (art. K 18 oud). Aldus wordt voorkomen dat de gemachtigde mogelijk meer volmachtstemmen zou kunnen uitbrengen dan het wettelijk toegestane aantal van twee. Het nieuwe voorschrift brengt met zich mee dat het niet meer mogelijk zal zijn bij gemeenteraadsverkiezingen en statenverkiezingen via de verzoekschriftprocedure volmacht te verlenen aan een persoon die niet in dezelfde gemeente c.q. provincie woont als de volmachtgever.
De term ‘volmachtlegitimatiekaart’ is in de nieuwe Kieswet vervangen door: ‘volmachtbewijs’ (art. L 6, eerste lid). In de lijst met kiezers die op de tafel van het stembureau komt te liggen, moet voortaan bij de naam van de kiezer aan wie een volmachtbewijs is verstrekt, de aantekening ‘volmacht’ worden geplaatst in plaats van ‘vervallen’. In het nieuwe artikel L 8, eerste lid, wordt bepaald dat de burgemeester ter voorkoming van misbruik beperkingen kan stellen aan de verkrijgbaarstelling van volmachtformulieren. Een daartoe strekkend besluit zal hij ter openbare kennis dienen te brengen.
In tegenstelling tot de oude Kieswet geeft de nieuwe Kieswet expliciet aan op welke gronden een verzoek om bij volmacht te stemmen moet worden afgewezen. Volgens het nieuwe artikel L 10 moet een dergelijk verzoek worden afgewezen, indien:
- a.
blijkt dat de kiezer niet zelf de gemachtigde heeft aangewezen;
- b.
aan de kiezer die het verzoek heeft ingediend reeds is toegestaan in een stembureau naar keuze of per brief te stemmen;
- c.
de gemachtigde meer dan twee aanwijzingen als gemachtigde heeft aangenomen.
- d.
de gemachtigde niet als kiesgerechtigde is geregistreerd binnen het gebied waarvoor de verkiezing geldt.
De gronden, vermeld onder b, c en d, zijn terug te voeren op de reeds onder de oude kieswet geldende vereisten voor volmachtverlening. Afwijzingsgrond a is evenwel nieuw. Hij geeft de burgemeester een handvat om op te treden tegen oneigenlijk gebruik van de volmachtregeling. Dat de kiezer niet zelf de gemachtigde heeft aangewezen zal overigens in het algemeen slechts kunnen worden geconstateerd na een nader onderzoek. Aan de burgemeester wordt overgelaten of hij aanleiding ziet tot een dergelijk onderzoek.
Tot slot wordt gewezen op het nieuwe artikel Y 8 waarin het ronselen van volmachten strafbaar wordt gesteld. Volgens dit artikel wordt degene die steltelmatig personen aanspreekt ten einde hen te bewegen het formulier op hun oproepingskaart, bestemd voor het stemmen bij volmacht, te ondertekenen en deze kaart af te geven, gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie (ƒ 1 5000).
4.6. De stemopneming
In vergelijking met het oude artikel L 1, eerste lid, bepaalt het nieuwe artikel N 1, eerste lid, niet meer dat het stembureau het aantal in de stembus gestoken stembiljetten vaststelt. Voorts dient het stembureau niet meer het aantal kiezers dat geweigerd heeft een stembiljet in ontvangst te nemen, vast te stellen, doch het aantal kiezers dat geweigerd heeft het stembiljet in de stembus te steken (zie ook 4.3.).
Artikel L 4 van de oude Kieswet schreef onder meer voor dat na het openen van de stembus de stembiljetten dooreen worden gemengd. Voorts moest ingevolge het oude artikel L 5, derde lid, iedere uitgebrachte stem worden geturfd. Omdat beide voorschriften in de praktijk weinig waarde bleken te hebben, zijn zij in de nieuwe Kieswet niet overgenomen.
De bepaling die regelt in welke gevallen een stembiljet ongeldig is (art. L 7 oud), is in de nieuwe Kieswet drastisch vereenvoudigd. De zeer gedetailleerde tekst van de oude bepaling, die eerder tot misverstanden kon leiden dan dat hij duidelijkheid verschafte, is vervangen door een meer algemeen geformuleerde tekst, waarin het accent ligt op de kennelijke bedoeling van de kiezer. Deze tekst, opgenomen als artikel N 7, tweede lid, luidt:
‘Voorts zijn ongeldig de stembiljetten waarop de kiezer niet, door het geheel of gedeeltelijk rood maken van het witte stipje in een stemvak, op ondubbelzinnige wijze heeft kenbaar gemaakt op welke kandidaat hij zijn stem uitbrengt of waarop bijvoegingen zijn geplaatst waardoor de kiezer kan worden geïdentificeerd.’
De bepaling in het oude artikel L 8, derde lid, dat aantekening wordt gehouden van elk ongeldig verklaard stembiljet, is in de nieuwe Kieswet niet overgenomen. Aangezien het aantal ongeldig verklaarde stembiljetten in het proces-verbaal van de zitting van het stembureau wordt verantwoord, is deze bepaling overbodig.
Ter vermindering van de werkzaamheden van de hoofdstembureaus bij verkiezingen voor de Tweede Kamer of provinciale staten wordt in de nieuwe Kieswet voorgeschreven dat per gemeente een ‘verzamelproces-verbaal’ wordt opgemaakt (art. N 11, tweede lid). Dit stuk moet met de processen-verbaal van de stembureaus worden meegezonden naar het hoofdstembureau (art. N 12, eerste lid).
4.7. De vaststelling van de uitslag
In de nieuwe Kieswet zijn de activiteiten van het hoofdstembureau en het centraal stembureau ten behoeve van het vaststellen van de uitslag van een verkiezing voor de gemeenteraad gefuseerd, ten einde te voorkomen dat er dubbele werkzaamheden verricht moeten worden. Voortaan behoeft van de werkzaamheden van zowel het hoofdstembureau als van het centraal stembureau maar één proces-verbaal te worden gemaakt, waarin de gegevens die onder de oude Kieswet nog twee keer moesten worden ingevuld, slechts één keer vermeld behoeven te worden (vgl. artt. O 3, vierde lid, O 4 en P 1 tweede volzin).
In de oude Kieswet werd bepaald dat voor de verkiezing van de raad van een gemeente die niet in stemdistricten is verdeeld, het stembureau tevens als hoofdstembureau optreedt (art. E 7 oud). De zitting van het hoofdstembureau moest in een dergelijke gemeente worden gehouden onmiddellijk na afloop van de werkzaamheden van het stembureau (art. M 1, derde lid, oud). In de nieuwe Kieswet komen deze bepalingen niet meer voor. Dat betekent dat ook in de kleinste gemeenten een afzonderlijk hoofdstembureau van vijf leden moet worden ingesteld, dat op het normale tijdstip, dat wil zeggen op de vrijdag na de stemming, zitting houdt. De kiezers en het hoofdstembureau hebben dan voldoende tijd om zich te bezinnen op de noodzaak van een eventuele hertelling.
In de regeling inzake het hertellen van stemmen is een criterium opgenomen aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of er in een bepaalde situatie reden is voor het gelasten van een hertelling. Er moet sprake zijn van een ernstig vermoeden dat door een of meer stembureaus bij de stemopneming zodanige fouten zijn gemaakt dat zij van invloed op de zetelverdeling kunnen zijn (art. P 21,eerste lid). Het is dus niet meer mogelijk om alleen op grond van kleine verschillen tussen stemmenaantallen, een hertelling te gelasten.
Zoals in 3.4 is vermeld, zal het voortaan ook bij gemeenteraadsverkiezingen mogelijk zijn een lijstencombinatie aan te gaan. Bij de zetelverdeling wordt de lijstencombinatie in eerste instantie als één lijst beschouwd. Een lijstencombinatie wordt slechts in aanmerking genomen, indien aan ten minste twee van de verbonden lijsten een zetel zou zijn toegewezen, indien geen lijstencombinaties zouden zijn gevormd. Verbonden lijsten die zelfstandig geen zetel zouden hebben verworven, worden geacht geen deel uit te maken van de lijstencombinatie (art. P 4).
De verdeling van de aan een lijstencombinatie toegewezen zetels over de lijsten die gecombineerd zijn, geschiedt vervolgens als volgt. Eerst deelt het centraal stembureau het stemcijfer van de lijstencombinatie door het aantal aan de lijstencombinatie toegewezen zetels. Het aldus verkregen quotiënt wordt combinatiekiesdeler genoemd. Vervolgens wordt zoveel maal als de combinatiekiesdeler in het stemcijfer is begrepen van elk van de lijsten waaruit de combinatie bestaat, aan die lijst een van de aan de combinatie toegewezen zetels toegewezen. De restzetels worden achtereenvolgens toegewezen aan de lijsten van de combinatie waarvan de stemcijfers bij deling door de combinatiekiesdeler de grootste overschotten hebben. Indien overschotten gelijk zijn, beslist zo nodig het lot. (art. P 11).
Bij gemeenteraadsverkiezingen moest onder de oude Kieswet een kandidaat om met voorkeurstemmen gekozen te zijn, op een lijst een aantal stemmen hebben verkregen groter dan de helft van de lijstkiesdeler. In de nieuwe Kieswet is de lijstkiesdeler, die sterk kan variëren, als maatstaf voor het behalen van een zetel vervangen door de kiesdeler.
Voorts is de nodeloos ingewikkelde regeling van overdracht van stemmen komen te vervallen. Bij de gemeenteraadsverkiezingen zullen de aan een lijst toegewezen zetels voortaan eerst worden toegekend aan die kandidaten die een aantal stemmen hebben verkregen groter dan de helft van de kiesdeler, in de volgorde van de aantallen op hen uitgebrachte stemmen (art. P 15). Vervolgens worden de overblijvende zetels van een lijst toegekend aan de overige kandidaten in de volgorde van de lijst (art. P 17).
5. Diverse onderwerpen
5.1. Tijdstippen van de verkiezingen
De tijdstippen van de verkiezingen voor de verschillende vertegenwoordigende organen zijn in de nieuwe Kieswet gewijzigd. De stemming voor de verkiezingen van provinciale staten of de gemeenteraden is twee weken vervroegd. De stemming voor de Tweede-Kamerverkiezingen is eveneens vervroegd. Zij zal voortaan evenals de stemming voor de verkiezingen van provinciale staten of de gemeenteraden begin maart plaatsvinden. Indien zij in hetzelfde jaar als de raads- of statenverkiezingen valt, zal zij worden verschoven naar de eerste helft van mei. De nieuwe verkiezingstijdstippen laten zich als volgt in kaart brengen:
Gemeenteraar en provinciale staten | kandidaatstelling: | di 18-14 januari |
stemming: | wo 2–8 maart1. | |
eerste samenkomst: | di 12–18 april | |
Tweede Kamer, indien in zelfde jaar géén raads- of statenverkiezingen | kandidaatstelling: | di 18-14 januari |
stemming: | wo 2–8 maart1. | |
eerste samenkomst: | di 15–21 maart2. | |
Tweede Kamer, indien in zelfde jaar wél raads- of statenverkiezingen | kandidaatstelling: | di 22–28 maart |
stemming: | wo 4–10 mei3. | |
eerste samenkomst: | di 17–23 mei |
Ten aanzien van de tijdstippen van de gemeenteraadsverkiezingen van 1990 is overigens een overgangsregeling getroffen. Deze verkiezingen zullen nog worden gehouden op de tijdstippen, voorzien in de oude Kieswet. De kandidaatstelling voor deze verkiezingen zal daarom plaatsvinden op 6 februari, de stemming op 21 maart en de eerste samenkomst van de nieuwe raad op 1 mei.
5.2. Registratie van de kiezers
De tamelijk gedetailleerde artikelen in de oude Kieswet over de kiezersregisters zijn in de nieuwe Kieswet vervangen door een meer algemene norm die de gemeentebesturen opdraagt de kiesgerechtigheid van de ingezetenen van de gemeente te registreren in de gemeentelijke bevolkingsadministratie (art. D 1). Deze norm laat de gemeentebesturen vrij om, in afwachting van de invoering van de gemeentelijke basisadministratie persoongegegens (GBA), die registratievorm te kiezen die het meest past in het eigen administratieve systeem. In verband daarmee is onder meer ook het bij herhaling bekritiseerde voorschrift dat gehuwde vrouwen en weduwen in het kiezersregister worden vermeld met een combinatie van hun eigen naam en die van hun echtgenoot, onderscheidenlijk overleden echtgenoot, geschrapt (art. D 4, tweede lid, oud).
Wel is in het nieuwe Kiesbesluit een artikel opgenomen waarin de gegevens worden opgesomd welke ter vaststelling van de kiesgerechtigdheid uit de gemeentelijke bevolkingsadministratie moeten kunnen worden afgeleid (art. D 1). De opsomming van deze gegevens is nodig om te kunnen bepalen of een verzoek van een burger om herziening van zijn registratie inderdaad als een dergelijk verzoek kan worden aangemerkt. In dat geval is niet de algemene procedure van het Besluit bevolkingsboekhouding van toepassing, maar de bijzondere procedure die daarvoor in de Kieswet is vastgelegd.
De mogelijkheid inlichtingen in te winnen omtrent de kiesgerechtigdheid van een ander is, met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, afgeschaft. Voortaan zullen burgemeester en wethouders alleen aan betrokkene zelf mogen meedelen of hij als kiezer is geregistreerd (art. D 4). In samenhang hiermee is ook het oude artikel D 5, tweede lid, vervallen, waarin bepaald werd dat het kiezersregister tegen betaling der kosten geheel of gedeeltelijk in afschrift verkrijgbaar is. Aangezien verzoeken om inlichtingen omtrent de kiesgerechtigdheid dikwijls kort voor verkiezingen worden gedaan, wordt in het nieuwe artikel D 4 bepaald dat de mededeling van burgemeester en wethouders aan verzoeker dat hij al dan niet als kiezer is geregistreerd, onverwijld dient plaats te vinden en dat, indien de verzoeker niet als kiezer is geregistreerd, hem uiterlijk op de zevende dag na ontvangst van het verzoek de redenen daarvan moeten worden meegedeeld.
De termijn waarbinnen burgemeester en wethouders een beslissing op een verzoek van een burger om herziening van zijn registratie als kiezer moeten nemen, is van veertien dagen teruggebracht naar zeven (art. D 6).
5.3. De Nederlandse kiezers in het buitenland
Ingevolge artikel D 2, eerste lid, van de oude Kieswet moest in elke gemeente voor iedere verkiezing van de Tweede Kamer een register worden aangelegd waarin de kiesgerechtigde personen die buiten Nederland wonen, op hun verzoek werden opgenomen, indien zij laatstelijk voor hun vertrek uit Nederland ingezetene van die gemeente waren. Op grond van de nieuwe Kieswet zullen alle in het buitenland woonachtige kiezers voortaan centraal worden geregistreerd in de gemeente 's-Gravenhage (art. D 3).
De kiezers die in het buitenland wonen, moesten, indien zij per brief wensten te stemmen, daartoe gelijktijdig met het verzoek tot opneming in het kiezersregister van een gemeente, een schriftelijk verzoek bij de burgemeester van die gemeente indienen (art. J 13, eerste lid). In de nieuwe Kieswet is ook het stemmen per brief gecentraliseerd bij de gemeente 's-Gravenhage (art. M 3, eerste lid, eerste volzin).
Indien een kiezer die in het buitenland woont, bij volmacht of in een stembureau naar keuze in Nederland wenst te stemmen, zal hij voortaan ook het verzoek daartoe bij de gemeente 's-Gravenhage moeten indienen (artt. K 7 en L 9).
De kiezer die op de dag van de stemming wegens zijn beroep of werkzaamheden buiten Nederland zal verblijven, zal, evenals onder de oude Kieswet, een verzoek om per brief te stemmen moeten indienen bij de gemeente waar hij als kiezer is geregistreerd (art. M 3, eerste lid, tweede volzin). Indien het verzoek wordt ingewilligd, dient het verzoekschrift zo spoedig mogelijk te worden doorgezonden naar de gemeente 's-Gravenhage, die voor de verdere afhandeling van het verzoek zorg draagt (art. M 4, vierde lid, tweede volzin).
5.4. Beroep
Ingevolge de nieuwe Kieswet zal — afgezien van het vertegenwoordigend orgaan bij het onderzoek van de geloofsbrieven — nog maar één instantie belast zijn met het beslechten van geschillen over de uitvoering van deze wet: de Afdeling rechtspraak van de Raad van State. De Afdeling rechtspraak zal derhalve voortaan ook de geschillen omtrent de kiesgerechtigdheid behandelen. Onder de oude Kieswet was de behandeling van deze geschillen nog opgedragen aan de burgerlijke rechter.
In de nieuwe Kieswet is met betrekking tot de voorzieningen die van de normale Arob-procedure afwijken, voor een zekere uniformering zorg gedragen door bij alle categorieën van spoedeisende kieswetgeschillen in de procedure een aantal identieke elementen op te nemen. Deze elementen zijn:
- 1.
De bezwaarschriftenprocedures, geregeld in de artikelen 7 c.q. 11 en 12 van de Wet Administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen blijven buiten toepassing.
- 2.
De normale procedure met betrekking tot het inwinnen van ambtsberichten en het indienen van memoriën en bewijsstukken, zoals geregeld in de artikelen 75 tot en met 77 van de Wet op de Raad van State, wordt buiten toepassing gelaten.
- 3.
De regeling inzake schorsing en voorlopige voorziening, zoals neergelegd in de artikelen 107 tot en met 116 van de Wet op de Raad van State, blijft buiten toepassing.
- 4.
De betaling van het griffierecht, de oproeping van partijen en de indiening van stukken wordt op overeenkomstige wijze geregeld als met betrekking tot de bijzondere procedure voor spoedeisende gevallen, neergelegd in de artikelen 117 tot en met 119 van de Wet op de Raad van State. Deze artikelen zelf worden dientengevolge buiten toepassing gelaten.
De spoedeisende kieswetgeschillen waarbij gemeenten betrokken kunnen worden, betreffen beroepen tegen beschikkingen inzake:
- a.
de registratie als kiezer (art. D 9);
- b.
de registratie van de aanduiding van een politieke groepering (art. G 5);
- c.
de geldigheid van de kandidatenlijsten (art. I 7);
- d.
een schriftelijk verzoek om een kiezerspas (art. K 8, vierde lid);
- e.
een schriftelijk verzoek om bij volmacht te stemmen (art. L 11, vierde lid);
- f.
de toelating van leden van de gemeenteraad (art. V 14);
- g.
de beëindiging van het lidmaatschap van de gemeenteraad (art. X 9).
In de gevallen, genoemd onder b, c en f, bevatte ook de oude Kieswet reeds regelingen die van de normale Arob-procedure afwijken. Deze regelingen zijn in de nieuwe Kieswet zo aangepast dat zij uit ten minste de vier eerdergenoemde elementen bestaan. In de overige gevallen is een dergelijke regeling nieuw.
Voor de procedure inzake een aantal categorieën spoedeisende kieswetgeschillen zijn naast de vier genoemde basiselementen nog een of meer van de volgende aanvullende voorzieningen getroffen: bekorting van de beroepstermijn, het stellen van een korte termijn waarbinnen de Afdeling rechtspraak tot een uitspraak moet komen, alsmede uitsluiting van de in de artikelen 105, tweede lid, laatste volzin, en 106 van de Wet op de Raad van State bedoelde mogelijkheid van verzet in het kader van vereenvoudigde behandeling. Het betreft de gevallen, genoemd onder b, c en f. De aanvullende voorzieningen zijn in die gevallen getroffen ten einde te vermijden dat bepaalde fatale termijnen in de verkiezingsprocedure worden overschreden (b en c) of vertegenwoordigende organen te lang onvoltallig blijven (f).
Voorts hebben in de beroepsbepalingen nog de volgende wijzigingen plaatsgevonden. De nieuwe regeling van beroep tegen beschikkingen inzake de registratie van de aanduiding van een politieke groepering heeft ook betrekking op de beslissing tot schrapping van een geregistreerde aanduiding. Onder deze regeling vallen verder ook de geschillen over de in artikel G 4 bedoelde beschikkingen inzake het niet-doorwerken van een geregistreerde aanduiding.
Een belangrijke wijziging in de bepalingen over het instellen van beroep tegen de beslissing van het hoofdstembureau over de geldigheid van een kandidatenlijst betreft het nieuwe voorschrift dat de Afdeling rechtspraak van de Raad van State, indien zij de beslissing van het hoofdstembureau geheel of gedeeltelijk vernietigt, zelf in de zaak voorziet (art. I 7, vijfde lid). Daardoor wordt voorkomen dat een hoofdstembureau na vernietiging van een beschikking door de Afdeling rechtspraak een nieuwe beschikking neemt waartegen opnieuw beroep wordt ingesteld. Dat zou tot gevolg hebben dat niet tijdig ertoe kan worden overgegaan om stembiljetten te laten drukken. Het hoofdstembureau beslist ingevolge de nieuwe Kieswet op een vrijdag over de geldigheid van de kandidatenlijsten. In het oude artikel H 7, eerste lid, was een beroepstermijn van twee dagen opgenomen. Gelet op de Algemene Termijnenwet zou de beroepstermijn dan op maandag eindigen. De kans is aanwezig dat de maandag ook de dag van ontvangst van de beschikking van het hoofdstembureau is. Omdat het moeilijk zou kunnen zijn diezelfde dag nog in beroep te gaan, is in de nieuwe Kieswet de beroepstermijn verlengd tot vier dagen, hetgeen betekent dat deze termijn op dinsdag eindigt (art. I 7, eerste lid, eerste volzin).
De regeling inzake het instellen van beroep tegen de beslissing van het hoofdstembureau over de geldigheid van een kandidatenlijst is verder zo gewijzigd dat naast iedere kiezer ook rechtspersonen die rechtstreeks in hun belang zijn getroffen, beroepsgerechtigd zijn (art. I 7, eerste lid, tweede volzin).
Het oude artikel H 7 was alleen van toepassing op de beschikkingen van het hoofdstembureau over de geldigheid van een kandidatenlijst en over het handhaven van daarop voorkomende kandidaten, alsmede over de wijze van vermelding. De bijzondere beroepsprocedure in het nieuwe artikel I 7 heeft ook betrekking op de beslissingen over het handhaven van de boven de lijst geplaatste aanduiding.
5.5. De indeling in kieskringen
De indeling in kamerkieskringen is grotendeels dezelfde gebleven: slechts vier van de negentien kieskringen hebben wijziging ondergaan. Het betreft de kamerkieskringen Arnhem, Nijmegen, 's-Hertogenbosch en Tilburg. De grenzen van deze kieskringen zijn zo gewijzigd dat zij aansluiten bij de grenzen van de samenwerkingsgebieden die op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn ingesteld.
In de provincie Gelderland is de kamerkieskring Arnhem groter geworden en de kamerkieskring Nijmegen kleiner. De gemeenten die in de huidige statenkieskringen Winterswijk en Doetinchem liggen, behoorden op de gemeente Steenderen na alle tot de kamerkieskring Nijmegen. Deze gemeenten, die in het samenwerkingsgebied Oost-Gelderland liggen, behoren nu tot de kamerkieskring Arnhem. In de provincie Noord-Brabant zijn de gemeenten uit de samenwerkingsgebieden Breda e.o. en Tilburg/Waalwijk e.o. die tot de kamerkieskring 's-Hertogenbosch behoorden, naar de kamerkieskring Tilburg overgegaan. Daarentegen zijn de gemeenten uit het samenwerkingsgebied 's-Hertogenbosch die onder de kieskring Tilburg vielen, naar de kieskring 's-Hertogenbosch overgebracht.
Ingevolge de nieuwe Kieswet vormen de kieskringen voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer tevens de kieskringen voor de verkiezingen van de leden van provinciale staten. Provinciale staten kunnen echter voor de statenverkiezingen deze kieskringen in meer kieskringen verdelen (art. E 1). Met betrekking tot zowel de indeling in kamerkieskringen als die in statenkieskringen is in het nieuwe artikel Z 5 een overgangsregeling getroffen, waardoor de oude indelingen uiterlijk tot na de eerstvolgende verkiezing nog van kracht blijven.
De mogelijkheid die artikel E 1, derde lid, van de oude Kieswet bood om ook gemeenten in kieskringen te verdelen, is komen te vervallen. Gebleken is dat van deze mogelijkheid geen gebruik meer wordt gemaakt,
5.6. Benoeming en toelating van leden
Voor de vervulling van vacatures in de gemeenteraad dienen op grond van artikel Z 3 van de nieuwe Kieswet tot aan de komende raadsverkiezingen nog de bepalingen van de oude Kieswet te worden toegepast. Vanaf die verkiezingen geldt bij aanneming van de benoeming tot raadslid de volgende, vereenvoudigde, procedure.
De voorzitter van het centraal stembureau zendt één exemplaar van de kennisgeving van de benoeming aan de benoemde en één exemplaar aan het vertegenwoordigend orgaan (art. V 1). Indien de benoemde zijn benoeming aanneemt, geeft hij daarvan schriftelijk kennis aan het vertegenwoordigend orgaan (art. V 2, eerste lid) en legt hij daarbij de benodigde stukken over (art. V 3). De voorzitter van het vertegenwoordigend orgaan bericht vervolgens aan de voorzitter van het centraal stembureau dat de benoemde zijn benoeming heeft aangenomen of, indien de termijn voor aanneming is verstreken, dat hij geacht moet worden de benoeming niet te hebben aangenomen (art. V 2, derde lid).
Onder de oude Kieswet moest de benoemde zijn bericht van aanneming aan de voorzitter van het centraal stembureau zenden. Vervolgens moest deze het vertegenwoordigend orgaan daarvan in kennis tellen. Doordat het bericht van aanneming door de benoemde voortaan relhtstreeks naar het vertegenwoordigend orgaan moet worden gezonden, wordt een nodeloze schakel in de procedure overgeslagen. Overigens heeft deze vereenvoudiging bij de benoeming tot lid van de gemeenteraad betrekkelijk weinig betekenis, omdat de burgemeester niet alleen voorzitter is van de gemeenteraad, doch in principe ook van het centraal stembureau.
Indien de benoemde zijn benoeming niet aanneemt, dient de voorzitter van het centraal stembureau een ander lid te benoemen (art. W 1). Daarom wordt in het nieuwe artikel V 2, vierde lid, bepaald dat het bericht van niet-aanneming naar de voorzitter van het centraal stembureau wordt gestuurd.
De termijn waarbinnen de benoemde moet laten weten of hij de benoeming aanneemt, is in het geval dat het een benoeming na een verkiezing betreft, verkort van vier weken naar tien dagen (art. V 2, eerste lid). Dit houdt verband met het feit dat het onderzoek van de geloofsbrieven in principe uiterlijk op de 27ste dag na de stemming plaatsvindt. (art. V 12). Bij de vervulling van tussentijdse vacatures is de termijn van vier weken gehandhaafd. In artikel V 11 van de nieuwe Kieswet wordt uitdrukkelijk bepaald wanneer het lidmaatschap van een tot lid van een vertegenwoordigend orgaan benoemde aanvangt. Het lidmaatschap vangt aan zodra de toelating van de benoemde onherroepelijk is geworden. Ingevolge het oude artikel U 15 kon een benoemd lid niet eerder zitting in de raad nemen dan nadat de beslissing tot zijn toelating onherroepelijk was geworden. In het licht van het nieuwe artikel V 11 kon deze bepaling worden geschrapt. De termijn waarbinnen beroep tegen een beslissing betreffende de toelating kan worden ingesteld, is met één dag verkort tot zes dagen (art. V 14, eerste lid). Gelet op deze beroepstermijn kan ingevolge artikel V 11 een raadslid dat in een opengevallen plaats is benoemd verklaard, in geen geval eerder worden beëdigd dan op de zevende dag na de dag waarop tot zijn toelating is beslist.
Voetnoten
in schrikkeljaar: 1–7 maart
in schrikkeljaar: 1–7 maart
idem: 14–20 maart (art. C 1. tweede lid)
indien stemming zou vallen op 4 mei of de dag voor Hemelvaartsdag: stemming dag eerder; indien stemming zou vallen op 5 of 6 mei en levens de dag voor Hemelvaartsdag: stemming week later (art. J 1. eerste lid)