Einde inhoudsopgave
Besluit bouwwerken leefomgeving - Nota van toelichting
§ 4.5.6 Buitenruimte
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
Algemeen
Een buitenruimte bij een woning voorziet in de fundamentele menselijke behoefte om in contact te kunnen staan met de omgeving. Een buitenruimte is zoals het spraakgebruik ook aangeeft een ruimte waar licht en verse lucht vrijelijk in en uit kunnen stromen. Een buitenruimte ligt dus buiten de thermische schil. Voorbeelden van buitenruimten zijn een tuin, een balkon, een loggia of een dakterras.
Artikel 4.174 (aansturingsartikel)
Artikel 4.174, eerste lid, bevat de functionele eis dat een woonfunctie (woning of woongebouw) anders dan een woonfunctie voor studenten of een woonfunctie voor zorg over een buitenruimte moet beschikken die rechtstreeks vanuit dat bouwwerk kan worden bereikt. Dit geldt niet voor een woonfunctie van het ‘Centraal Orgaan opvang asielzoekers’ voor opvang aan asielzoekers. Dergelijke opvang moet alleen voldoen aan de normen zoals bedoeld in richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (PbEG 2003, L31). Een buitenruimte is in deze richtlijn niet voorgeschreven.
De tabel van het tweede lid wijst per sub-gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op de woonfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de woonfunctie voor zorg en de woonfunctie voor studenten wijst de tabel van het tweede lid geen regels aan. Uit de hoofdregel van artikel 4.4 volgt dat de functionele eis op deze sub-gebruiksfuncties van toepassing is.
Artikel 4.175 (aanwezigheid, afmetingen en bereikbaarheid)
Artikel 4.175 geeft in het eerste lid aan dat elke woning een rechtstreeks vanuit de woning bereikbare niet-gemeenschappelijke buitenruimte moet hebben met een vloeroppervlakte van ten minste 4 m2 en een breedte van ten minste 1,5 m. Een surplus aan buitenruimte mag wel gemeenschappelijk zijn, maar ook dan moet voor iedere woning ten minste 4 m2 niet-gemeenschappelijke buitenruimte met een breedte van ten minste 1,5 m beschikbaar zijn. Een niet-gemeenschappelijke buitenruimte kan niet gelijktijdig een gemeenschappelijke verkeersruimte zijn. Een galerij mag dus niet worden meegerekend bij de voorgeschreven oppervlakte van de buitenruimte. De buitenruimte mag wel aan de galerij grenzen.
Het is niet noodzakelijk om de afzonderlijke buitenruimten fysiek (met schuttingen e.d.) van elkaar te scheiden.
Het tweede lid geeft een uitzondering voor woningen met een gebruiksoppervlakte van minder dan 50 m2. Bij die woningen mag de buitenruimte gemeenschappelijk zijn en behoeft de oppervlakte van een gemeenschappelijke buitenruimte maar 1 m2 per woning te bedragen. De gezamenlijke buitenruimte moet echter, ook als er minder dan vier woningen op de buitenruimte zijn aangewezen, ten minste 4 m2 zijn bij een breedte van ten minste 1,3 m. Zijn er echter bijvoorbeeld 6 woningen op die ruimte aangewezen dan zal de totale vloeroppervlakte ten minste 6 m2 moeten bedragen. De buitenruimte moet of rechtstreeks vanuit de woning bereikbaar zijn of via gemeenschappelijke ruimten. Dit mag dus zowel via een of meer gemeenschappelijke verkeersruimten als via gemeenschappelijke verblijfsruimten. Met dit tweede lid is het bijvoorbeeld mogelijk kleine woningen, zoals studentenflats, te realiseren met een aan de gemeenschappelijke keuken, woonkamer of verkeersruimte grenzend balkon.
In paragraaf 4.2.3 worden overigens eisen gesteld aan het balkonhek of andere afscheiding aan de rand van een vloer om bij hoogteverschillen te voorkomen dat men van het balkon of een andere bouwkundige vloer kan vallen. De in deze paragraaf bedoelde buitenruimte behoort tot de woonfunctie. Zodoende moet het balkonhek of andere afscheiding voldoen aan de daaraan bij een woonfunctie gestelde eisen.