Einde inhoudsopgave
Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie
Artikel 23 [Kennisgeving prejudiciële verwijzing. Termijn 2 maanden voor schriftelijke opmerkingen]
Geldend
Geldend vanaf 01-09-2024
- Redactionele toelichting
1. Verzoeken om een prejudiciële beslissing die zijn ingediend op grond van art. 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aanhangig zijn bij het Hof van Justitie op de eerste dag van de maand volgend op de datum van inwerkingtreding van deze verordening worden behandeld door het Hof van Justitie. 2. Hogere voorzieningen tegen beslissingen van het Gerecht over een besluit van een kamer van beroep van een van de in art. 58 bis, eerste alinea, punten e) tot en met j), genoemde organen of instanties van de Unie en tegen in art. 58 bis, tweede alinea, punt b) bedoelde besluiten, die bij het Hof aanhangig zijn op de datum van de inwerkingtreding van deze verordening, vallen niet onder het mechanisme voor voorafgaande toelating van hogere voorzieningen.
- Bronpublicatie:
11-04-2024, PbEU L 2024, 2024/2019 (uitgifte: 12-08-2024, regelingnummer: 2024/2019)
- Inwerkingtreding
01-09-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
11-04-2024, PbEU L 2024, 2024/2019 (uitgifte: 12-08-2024, regelingnummer: 2024/2019)
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
In de in artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bedoelde gevallen wordt van de beslissing van de nationale rechterlijke instantie die de procedure schorst en een beroep doet op het Hof van Justitie, aan het Hof kennisgegeven op initiatief van die nationale rechterlijke instantie. De griffier van het Hof geeft van deze beslissing vervolgens kennis aan de betrokken partijen, de lidstaten, het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Europese Centrale Bank, alsmede aan de instelling, het orgaan of de instantie van de Unie die de handeling waarvan de geldigheid of de uitlegging wordt betwist, heeft vastgesteld.
Binnen twee maanden na deze kennisgeving hebben de partijen, de lidstaten, de Commissie en, wanneer zij van mening zijn dat zij een bijzonder belang hebben bij de in het verzoek om een prejudiciële beslissing aan de orde gestelde kwesties, het Europees Parlement, de Raad en de Europese Centrale Bank het recht memories of schriftelijke opmerkingen in te dienen bij het Hof van Justitie. In voorkomend geval heeft de instelling, het orgaan of de instantie die de handeling waarvan de geldigheid of de uitlegging wordt betwist, heeft vastgesteld, ook het recht om memories of schriftelijke opmerkingen in te dienen.
In de in artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bedoelde gevallen wordt van de beslissing van de nationale rechterlijke instantie door de griffier van het Hof voorts kennis gegeven aan de staten — niet zijnde lidstaten — die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte alsmede aan de in die overeenkomst bedoelde Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, die binnen twee maanden na de kennisgeving bij het Hof memoriën of schriftelijke opmerkingen kunnen indienen wanneer de beslissing een van de toepassingsgebieden van de overeenkomst betreft.
Indien in een door de Raad met een of meer derde staten op een bepaald gebied gesloten overeenkomst is bepaald, dat deze staten het recht hebben memories of schriftelijke opmerkingen in te dienen ingeval een rechterlijke instantie van een lidstaat het Hof een prejudiciële vraag stelt die op het toepassingsgebied van de overeenkomst betrekking heeft, wordt van de beslissing van de nationale rechterlijke instantie waarin een dergelijke vraag is gesteld, eveneens kennis gegeven aan de betrokken derde staten, die binnen een termijn van twee maanden na deze kennisgeving memories of schriftelijke opmerkingen kunnen indienen bij het Hof.
Memories of schriftelijke opmerkingen die een belanghebbende op grond van dit artikel heeft ingediend, worden binnen een redelijke termijn na de beëindiging van de zaak gepubliceerd op de website van het Hof van Justitie van de Europese Unie, tenzij die belanghebbende bezwaar maakt tegen de publicatie van zijn schriftelijke stukken