Einde inhoudsopgave
Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen, 1961
Artikel 22 Bijzondere bepaling van toepassing op de verbouw
Geldend
Geldend vanaf 08-08-1975
- Redactionele toelichting
Deze wijziging is voor het Koninkrijk der Nederlanden op 28-06-1987 in werking getreden. Deze wijziging is nog niet voor alle partijen in werking getreden. Zie voor de inwerkingtredingsgegevens van deze wijziging het protocol van 25-03-1972, Trb. 1980, nr. 184.
- Bronpublicatie:
25-03-1972, Trb. 1980, 184 (uitgifte: 27-11-1980, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
08-08-1975
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
27-11-1980, Trb. 1980, 184 (uitgifte: 27-11-1980, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Internationaal strafrecht / Bijzondere onderwerpen
1.
In alle gevallen waarin, gezien de in het land of het gebied van een Partij heersende omstandigheden, het verbod van de verbouw van de papaver, de cocaplant of de cannabisplant naar de mening van die Partij de meest geschikte maatregel is om de volksgezondheid en het openbaar welzijn te beschermen en om te verhinderen dat verdovende middelen een weg vinden naar de sluikhandel, verbiedt de betrokken Partij de verbouw.
2.
Een Partij die de verbouw van de papaver of de cannabisplant verbiedt, neemt passende maatregelen tot inbeslagneming en vernietiging van clandestien verbouwde planten, met uitzondering van kleine hoeveelheden die de Partij nodig heeft voor wetenschappelijke doeleinden of voor onderzoek.