Einde inhoudsopgave
Scheldeverdrag
Artikel 3 Beginselen van de samenwerking
Geldend
Geldend vanaf 01-12-2005
- Bronpublicatie:
03-12-2002, Trb. 2003, 76 (uitgifte: 06-06-2003, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
01-12-2005
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
18-11-2005, Trb. 2005, 288 (uitgifte: 01-01-2005, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Natuurbeschermingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Milieurecht / Bijzondere onderwerpen
1.
Bij hun handelen laten de Verdragsluitende Partijen zich leiden door de volgende beginselen:
- a.
het voorzorgsbeginsel;
- b.
het beginsel van preventief handelen;
- c.
het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden;
- d.
het beginsel dat de vervuiler betaalt,
zoals gedefinieerd en gemeenschappelijk geïnterpreteerd in het Europese milieurecht.
2.
De Verdragsluitende Partijen zullen, teneinde de in artikel 2 van het onderhavig Verdrag genoemde doelstellingen te verwezenlijken:
- a.
de voor hun grondgebied nodige maatregelen voor de uitvoering van het onderhavig Verdrag alsmede van de adviezen, aanbevelingen en besluiten van de Commissie treffen en elkaar daarover informeren;
- b.
de kwaliteit van de aquatische ecosystemen beschermen en waar mogelijk verbeteren, onder andere door inrichtingsmaatregelen en door geleiding van het gebruik;
- c.
de uitwisseling van informatie en meningen versterken;
- d.
bij calamiteuze verontreinigingen, waarvan de gevolgen de waterkwaliteit wezenlijk kunnen bedreigen, zo spoedig mogelijk de Partijen informeren die daardoor kunnen worden getroffen;
- e.
bij naderend hoogwater zo spoedig mogelijk de Partijen informeren die daardoor kunnen worden getroffen;
- f.
hun beleid inzake het beheer van de sedimenten naar behoefte op elkaar afstemmen en het storten en terugstorten in de wateren, alsmede het verplaatsen in benedenstroomse richting, van verontreinigde baggerspecie zoveel mogelijk beperken.
3.
De bepalingen van het onderhavig Verdrag doen geen afbreuk aan het recht van de Verdragsluitende Partijen om afzonderlijk of gezamenlijk strengere maatregelen aan te nemen en toe te passen dan die uit hoofde van het onderhavig Verdrag.