Einde inhoudsopgave
Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009
Artikel 2 [Vaststellen vervuilingswaarde per m3 ingenomen water]
Geldend
Geldend vanaf 01-01-2026
- Bronpublicatie:
22-04-2025, Stb. 2025, 130 (uitgifte: 14-05-2025, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
01-01-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
22-04-2025, Stb. 2025, 130 (uitgifte: 14-05-2025, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Waterrecht (V)
1.
De vervuilingswaarde per m3 ingenomen water kan door de heffingplichtige op zijn kosten op aanvraag, dan wel ambtshalve door de inspecteur op kosten van de betrokken beheerder, worden bepaald aan de hand van één of meerdere methoden als bedoeld in het derde lid, indien:
2.
De heffingplichtige verstrekt desgevraagd aan de inspecteur in ieder geval:
- a.
gegevens over de bedrijfsactiviteiten- en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de vervuilingswaarde van het geloosde of afgevoerde afvalwater;
- b.
de gemeten of geschatte hoeveelheid ingenomen water, geloosd of afgevoerd afvalwater en de doeleinden waarvoor dit water wordt gebruikt;
- c.
historische gegevens over de vervuilingswaarde en gegevens over de aard van de geloosde of afgevoerde stoffen voor zover die beschikbaar zijn.
3.
De vervuilingswaarde per m3 ingenomen water wordt bepaald aan de hand van:
- a.
de gegevens die op grond van het tweede lid, artikel 122k, eerste lid, van de Waterschapswet of artikel 7.5, zesde lid, van de Waterwet in samenhang met artikel 122k van de Waterschapswet aan de inspecteur zijn verstrekt;
- b.
een over ten minste 2 voor het heffingsjaar representatieve etmalen afzonderlijk samengesteld etmaalverzamelmonster van het geloosde of afgevoerde afvalwater dat bestaat uit ten minste 8 deelmonsters die op verschillende voor het etmaal representatieve tijdstippen zijn genomen;
- c.
een vergelijking met soortgelijke bedrijfsomstandigheden bij een bedrijfsruimte of onderdeel daarvan waar de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water aan de hand van de artikelen 3 of 5 is bepaald; of
- d.
het zuurstofverbruik van de geloosde of afgevoerde stoffen.
4.
De behandeling van het in het derde lid, onderdeel b, bedoelde verzamelmonster geschiedt overeenkomstig de nadere regels, bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, van de Waterwet en artikel 122g, eerste lid, van de Waterschapswet.
5.
De inspecteur beslist op een in het eerste lid bedoelde aanvraag bij voor bezwaar vatbare beschikking en geeft daarin in ieder geval aan welke methode of methoden bedoeld in het derde lid worden gehanteerd. Voorts kunnen aan de beschikking nadere voorschriften worden verbonden.
6.
Een op basis van dit artikel bepaalde vervuilingswaarde per m3 ingenomen water geldt voor de betrokken bedrijfsruimte of het betrokken onderdeel van de bedrijfsruimte tot het heffingsjaar waarin dit artikel hetzij door de heffingplichtige hetzij door de inspecteur opnieuw wordt toegepast.
7.
Onder geschatte vervuilingswaarde wordt verstaan: aan de hand van de geschatte hoeveelheid in het kalenderjaar in te nemen water en het geschatte zuurstofverbruik per m3 ingenomen water bepaalde vervuilingswaarde.