Einde inhoudsopgave
Europese Code inzake sociale zekerheid
Protocol bij de Europese Code inzake Sociale Zekerheid
Geldend
Geldend vanaf 17-03-1968
- Redactionele toelichting
De inwerkingtreding is gecorrigeerd via een rectificatie (Trb. 1975, 71).
- Bronpublicatie:
16-04-1964, Trb. 1965, 47 (uitgifte: 24-03-1965, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
17-03-1968
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
27-04-1967, Trb. 1967, 53 (uitgifte: 01-01-1967, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
EU-recht / Bijzondere onderwerpen
Internationale sociale zekerheid / Algemeen
Preambule
De Staten die dit Protocol hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa,
Besloten hebbende een hoger sociaal zekerheidsniveau vast te stellen dan dat waarin de bepalingen van de op 16 april 1964 te Straatsburg ondertekende Europese Code inzake Sociale Zekerheid (hierna te noemen ‘de Code’) voorzien;
Geleid door de wens dat alle Lid-Staten van de Raad naar het bereiken van dit hogere peil zullen streven, daarbij rekening houdende met overwegingen van economische aard in hun onderscheiden landen,
Zijn de volgende bepalingen, die zijn opgesteld met medewerking van het Internationale Arbeidsbureau, overeengekomen:
Titel I
Ten aanzien van elke Lid-Staat van de Raad van Europa die zowel de Code als dit Protocol heeft bekrachtigd, alsmede ten aanzien van elke Staat die zowel tot de code als tot het protocol is toegetreden, vervangen de volgende bepalingen de overeenkomstige artikelen, leden en alinea's van de Code:
Artikel 1, lid 1, sub (h) wordt gelezen als volgt:
‘kind’:
- (i)
hetzij een kind beneden de leeftijd van 16 jaren;
- (ii)
hetzij een kind beneden de leeftijd, waarop de leerplicht een einde neemt, of jonger dan 15 jaren, naar gelang zal worden voorgeschreven. Wanneer het echter een kind betreft dat verder onderwijs geniet, onder het leerlingenstelsel valt of invalide is, wordt daaronder een kind verstaan beneden de leeftijd van 18 jaren;
Artikel 2, lid 1, sub (b) wordt gelezen als volgt:
- (b)
ten minste acht van de delen II tot en met X ten aanzien waarvan de betrokken Lid-Staat krachtens artikel 3 de verplichtingen van de Code heeft aanvaard, met dien verstande dat deel II voor twee en deel V voor drie delen telt;
Artikel 2, lid 2 wordt gelezen als volgt:
2
Aan de voorwaarde genoemd in het voorgaande lid sub (b) wordt geacht te zijn voldaan, indien:
- (a)
- (b)
bovendien wordt aangetoond dat de van kracht zijnde wetgeving op het gebied der Sociale Zekerheid gelijkwaardig is aan een van de onder (b) bedoelde combinaties, daarbij rekening houdende:
- (i)
met het feit dat bepaalde takken, bedoeld onder (a) van dit lid, uitgaan boven de normen van de Code wat het toepassingsgebied, of het niveau der uitkeringen, of beide betreft;
- (ii)
met het feit dat bepaalde takken, bedoeld onder (a) van dit lid, uitgaan boven de normen van de Code doordat zij in addendum 2 van de Code, als bij dit Protocol gewijzigd, opgenomen extra voordelen verlenen; en
- (iii)
met takken die beneden de normen van de Code blijven.
Artikel 9 wordt gelezen als volgt:
Tot de beschermde personen moeten worden gerekend:
- (a)
voorgeschreven groepen van loontrekkenden welke in totaal ten minste 80 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden, alsmede de echtgenoten en kinderen van de tot deze groepen behorende loontrekkenden, of
- (b)
voorgeschreven groepen van de werkende bevolking, welke in totaal ten minste 30 procent uitmaken van de gezamenlijke inwoners, alsmede de echtgenoten en kinderen van de tot deze groepen behorende personen; of
- (c)
voorgeschreven groepen van inwoners, welke in totaal ten minste 65 procent uitmaken van de gezamenlijke inwoners.
Artikel 10, leden 1 en 2, worden gelezen als volgt:
1
De verstrekkingen moeten tenminste omvatten:
- (a)
in geval van ziektetoestand
- (i)
de hulp van huisartsen, met inbegrip van huisbezoeken en de hulp van specialisten overeenkomstig voorgeschreven voorwaarden:
- (ii)
ziekenhuisverpleging, met inbegrip van verzorging in een ziekenhuis, de hulp van huisartsen, onderscheidenlijk specialisten, verpleging en alle vereiste bijkomende hulp;
- (iii)
de verstrekking van alle nodige geneesmiddelen op recept, en van alle als noodzakelijk beschouwde spécialités; en
- (iv)
onderhoud van het gebit voor de beschermde kinderen; en
- (b)
in geval van zwangerschap, bevalling en de gevolgen daarvan,
- (i)
prenatale zorg, hulp bij de bevalling, postnatale zorg, hetzij van een geneeskundige, hetzij van een gediplomeerde vroedvrouw;
- (ii)
opneming in een ziekenhuis, wanneer deze noodzakelijk is en
- (iii)
de verstrekking van geneesmiddelen.
2
De gerechtigde of zijn kostwinner kunnen ertoe gehouden worden een bijdrage te leveren in de kosten van de geneeskundige zorg, ontvangen:
- (a)
in geval van ziektetoestand; de regels betreffende deze bijdrage in de kosten moeten echter zodanig worden vastgesteld dat zij geen te zware belasting met zich brengen en de bijdrage in de kosten door de gerechtigde of zijn kostwinner mag niet meer bedragen dan:
- (i)
25 procent voor de hulp van huisartsen en specialisten verleend buiten de zalen van het ziekenhuis;
- (ii)
25 procent voor verpleging in een ziekenhuis;
- (iii)
gemiddeld 25 procent voor de verstrekking van geneesmiddelen;
- (iv)
33 1/3 procent voor het onderhoud van het gebit;
- (b)
in geval van zwangerschap, bevalling en de gevolgen daarvan uitsluitend voor de verstrekking van geneesmiddelen, waarbij de bijdrage in de kosten door de gerechtigde of haar kostwinner gemiddeld niet meer mag bedragen dan 25 procent; de regels betreffende deze bijdrage in de kosten moeten zodanig worden vastgesteld dat zij geen te zware last met zich brengen;
- (c)
wanneer deze bijdrage in de kosten wordt vastgesteld op een vast bedrag voor elke behandeling of voor elk geval waarin geneesmiddelen worden voorgeschreven, mag het totaal van de door alle beschermde personen verrichte betalingen met betrekking tot elk der onder (a) en (b) genoemde verstrekkingen het voorgeschreven percentage van de totale kosten van die verstrekkingen binnen een bepaald tijdvak niet te boven gaan.
Artikel 12 wordt gelezen als volgt:
De in artikel 10 vermelde verstrekkingen moeten gedurende de gehele duur van het door verzekering gedekte geval worden verleend, behoudens dat verpleging in een ziekenhuis kan worden beperkt tot 52 weken per geval of tot 78 weken binnen een tijdvak van drie opeenvolgende jaren.
Artikel 15, alinea's (a) en (b) worden gelezen als volgt: Tot de beschermde personen moeten worden gerekend:
- (a)
voorgeschreven groepen van loontrekkenden, welke in totaal ten minste 80 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden;
- (b)
voorgeschreven groepen van de werkende bevolking welke in totaal ten minste 30 procent uitmaken van de gezamenlijke inwoners; of
Artikel 18 wordt gelezen als volgt:
De in artikel 16 vermelde uitkering moet gedurende de gehele duur van het door verzekering gedekte geval worden verleend, met de mogelijkheid dat zij niet behoeft te worden verleend over de eerste drie dagen van inkomstenderving en behoudens dat de duur van de uitkering kan worden beperkt tot 52 weken voor elk ziektegeval of tot 78 weken binnen een tijdvak van drie opeenvolgende jaren.
Artikel 21, alinea (a) wordt gelezen als volgt:
Tot de beschermde personen moeten worden gerekend:
- (a)
voorgeschreven groepen van loontrekkenden, welke in totaal ten minste 55 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden; of
Artikel 24 wordt gelezen als volgt:
1
Wanneer groepen van loontrekkenden beschermd worden kan de duur van de in artikel 22 vermelde uitkering worden beperkt tot 21 weken binnen een tijdvak van 12 maanden, of tot 21 weken per geval van inkomstenderving.
2
Wanneer alle inwoners beschermd worden wier inkomsten tijdens het door verzekering gedekte geval voorgeschreven grenzen niet overschrijden, moet de in artikel 22 vermelde uitkering tijdens de gehele duur van het door verzekering gedekte geval verleend worden. De duur van de voorgeschreven uitkering, die gewaarborgd moet worden zonder onderzoek naar de financiële positie van de betrokkene, kan evenwel worden beperkt overeenkomstig het bepaalde in lid 1 van dit artikel.
3
Wanneer krachtens de nationale wetgeving de duur van de uitkering verband houdt, hetzij met de duur van de premiebetaling, hetzij met reeds eerder in de loop van een voorgeschreven tijdvak ontvangen uitkeringen, wordt aan de bepalingen van lid 1 geacht te zijn voldaan, indien de gemiddelde duur van de uitkering ten minste 21 weken in een tijdvak van 12 maanden bedraagt.
4
De uitkering behoeft niet te worden verstrekt:
- (a)
gedurende de eerste drie dagen van elk geval van inkomstenderving, met dien verstande dat dagen van werkloosheid welke vallen vóór en na een tijdelijke tewerkstelling en welke een bepaalde voorgeschreven duur niet overschrijden, geacht worden deel uit te maken van hetzelfde geval van inkomstenderving; of
- (b)
gedurende de eerste zes dagen binnen een tijdvak van 12 maanden.
5
Ten aanzien van seizoenarbeiders kunnen de duur van de uitkeringen en de wachttijd worden aangepast aan de arbeidsvoorwaarden.
6
Er dienen maatregelen te worden genomen voor de handhaving van een behoorlijke en stabiele werkgelegenheid in het land en mogelijkheden te Worden geschapen om werklozen te helpen bij het verkrijgen van nieuwe passende arbeid, met name door arbeidsbemiddeling, vakopleiding, hulp bij verhuizing naar een andere streek indien dit nodig is om passende arbeid te vinden, alsmede door middel van andere soortgelijke diensten.
Artikel 26, leden 2 en 3 worden gelezen als volgt:
2
De voorgeschreven leeftijd mag niet hoger worden gesteld dan 65 jaar. Nochtans mag een hogere leeftijd worden voorgeschreven, mits het aantal inwoners dat die hogere leeftijd heeft bereikt niet minder bedraagt dan 10 procent van het totale aantal inwoners dat die hogere leeftijd nog niet heeft bereikt, doch ouder is dan 15 jaar. Wanneer slechts voorgeschreven groepen van loontrekkenden beschermd worden, mag de voorgeschreven leeftijd niet hoger zijn dan 65 jaar.
3
De nationale wetgeving kan bepalen dat de uitkeringen worden geschorst indien degene die daarop recht zou hebben gehad bepaalde voorgeschreven werkzaamheden verricht; de uitkeringen, waarvoor premie is betaald, kunnen krachtens de nationale wetgeving worden verminderd, wanneer de inkomsten uit arbeid van de gerechtigde een voorgeschreven bedrag overschrijden.
Artikel 27, alinea's (a) en (b) worden gelezen als volgt: Tot de beschermde personen moeten worden gerekend:
- (a)
voorgeschreven groepen van loontrekkenden, welke in totaal ten minste 80 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden; of
- (b)
voorgeschreven groepen van de werkende bevolking welke in totaal tenminste 30 procent uitmaken van de gezamenlijke inwoners; of
Artikel 28, alinea (b) wordt gelezen als volgt:
- (b)
wanneer alle inwoners beschermd worden, wier inkomsten tijdens het door verzekering gedekte geval voorgeschreven grenzen niet overschrijden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 67. Een voorgeschreven uitkering moet echter worden gewaarborgd, zonder onderzoek naar de bestaansmiddelen, aan de voorgeschreven groepen personen vastgesteld overeenkomstig de alinea's (a) en (b) van artikel 27, behoudens een wachttijd, waarvan de voorwaarden niet strenger mogen zijn dan die genoemd in lid 1 van artikel 29.
Artikel 32, alinea (d) wordt gelezen als volgt:
- (d)
verlies van bestaansmiddelen door de weduwe of door de kinderen ten gevolge van het overlijden van de kostwinner.
Artikel 33 wordt gelezen als volgt:
Tot de beschermde personen moeten worden gerekend voorge-
schreven groepen van loontrekkenden die in totaal ten minste 80 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden, alsmede echtgenoten en kinderen van de tot deze groepen behorende loontrekkenden, wat betreft de uitkeringen, waarop het overlijden van de kostwinner rechten doet ontstaan.
Artikel 41 wordt gelezen als volgt:
Voor zover de uitkering bestaat in een periodieke betaling, moeten tot de beschermde personen worden gerekend:
- (a)
voorgeschreven groepen van loontrekkenden welke in totaal ten minste 80 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden; of
- (b)
voorgeschreven groepen van de werkende bevolking welke in totaal ten minste 30 procent uitmaken van de gezamenlijke inwoners.
Artikel 44 wordt gelezen als volgt:
De totale waarde van de overeenkomstig artikel 42 verleende uitkeringen en/of verstrekkingen moet zodanig zijn, dat zij gelijk is aan 2 procent van het loon van een volwassen mannelijke ongeschoolde arbeider, vastgesteld overeenkomstig de in artikel 66 neergelegde regelen, vermenigvuldigd met het totale aantal kinderen van alle inwoners.
Artikel 48 wordt gelezen als volgt:
Tot de beschermde personen moeten worden gerekend:
- (a)
alle vrouwen behorende tot voorgeschreven groepen van loontrekkenden, welke groepen in totaal ten minste 80 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden, en, wat betreft de geneeskundige verstrekkingen in geval van moederschap, eveneens de echtgenoten van mannen, die tot deze groep behoren; of
- (b)
alle vrouwen behorende tot voorgeschreven groepen van de werkende bevolking, welke groepen in totaal ten minste 30 procent uitmaken van de gezamenlijke inwoners en, wat betreft de geneeskundige verstrekkingen in geval van moederschap, eveneens de echtgenoten van mannen die tot deze zelfde groepen behoren.
Artikel 49, lid 2 wordt gelezen als volgt:
2
De geneeskundige zorg moet ten minste omvatten:
- (a)
prenatale zorg, hulp bij de bevalling en postnatale zorg, hetzij van een geneeskundige, hetzij van een gediplomeerde vroedvrouw;
- (b)
opneming in een ziekenhuis wanneer deze noodzakelijk is;
- (c)
de verstrekking van geneesmiddelen, behoudens dat de gerechtigde of haar kostwinner ertoe gehouden kan worden een bijdrage te leveren in de kosten van de ontvangen geneeskundige zorg. De regels betreffende deze bijdrage in de kosten moeten zodanig worden vastgesteld dat zij geen te zware last met zich brengen, terwijl de bijdrage in de kosten door de gerechtigde of haar kostwinner gemiddeld niet meer dan 25 procent mag bedragen. Wanneer deze bijdrage in de kosten wordt vastgesteld op een vast bedrag voor elk geval waarin geneesmiddelen worden voorgeschreven, mag het totaal van de door alle beschermde personen verrichte betalingen niet meer bedragen dan 25 procent van de totale kosten binnen een bepaald tijdvak.
Artikel 54 wordt gelezen als volgt:
Het door verzekering gedekte geval omvat de ongeschiktheid om beroepsmatige arbeid in bepaalde mate te verrichten, wanneer die ongeschiktheid waarschijnlijk blijvend zal zijn, dan wel, wanneer zij voortbestaat na de beëindiging van de uitkering van ziekengeld. De voorgeschreven mate van die ongeschiktheid mag echter niet meer dan twee derde bedragen.
Artikel 55, alinea's (a) en (b) worden gelezen als volgt:
Tot de beschermde personen moeten worden gerekend:
- (a)
voorgeschreven groepen van loontrekkenden welke in totaal ten minste 80 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden; of
- (b)
voorgeschreven groepen van de werkende bevolking welke in totaal ten minste 30 procent uitmaken van de gezamenlijke inwoners; of
Artikel 56 wordt gelezen als volgt:
1
De uitkering zal bestaan in een periodieke betaling berekend als volgt:
- (a)
overeenkomstig de bepalingen, hetzij van artikel 65, hetzij van artikel 66, wanneer groepen van loontrekkenden of groepen van de werkende bevolking worden beschermd;
- (b)
overeenkomstig de bepalingen van artikel 67 wanneer de beschermde personen alle inwoners omvatten, wier inkomsten tijdens de door verzekering gedekte gevallen voorgeschreven grenzen niet overschrijden. Een voorgeschreven uitkering moet echter worden gewaarborgd, zonder onderzoek naar de bestaansmiddelen, aan de voorgeschreven groepen personen vastgesteld overeenkomstig de alinea's (a) en (b) van artikel 55, behoudens een wachttijd waarvan de voorwaarden niet strenger mogen zijn dan die genoemd in lid 1 van artikel 57.
2
Er dienen maatregelen te worden genomen om het verlenen van functionele en op het beroep gerichte revalidatie te verzekeren en om mogelijkheden te scheppen ten einde minder validen te helpen bij het vinden van passende arbeid, met name door arbeidsbemiddeling, hulp bij verhuizing naar een andere streek indien dit nodig is om passende arbeid te vinden, alsmede door middel van andere soortgelijke diensten.
Artikel 61, alinea's (a) en (b) worden gelezen als volgt:
Tot de beschermde personen moeten worden gerekend:
- (a)
de echtgenoten en kinderen van kostwinners behorende tot voorgeschreven groepen van loontrekkenden, welke groepen in totaal ten minste 80 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden; of
- (b)
de echtgenoten en kinderen van kostwinners behorende tot voorgeschreven groepen van de werkende bevolking, welke groepen ten minste 30 procent uitmaken van de gezamenlijke loontrekkenden; of
Artikel 62, alinea (b) wordt gelezen als volgt:
- (b)
overeenkomstig de bepalingen van artikel 67, wanneer alle weduwen en alle kinderen, inwoners zijnde, beschermd worden, wier inkomsten tijdens het door verzekering gedekte geval voorgeschreven grenzen niet overschrijden. Een voorgeschreven uitkering moet echter worden gewaarborgd, zonder onderzoek naar de bestaansmiddelen, aan de echtgenoten en kinderen van kostwinners behorende tot de voorgeschreven groepen personen vastgesteld overeenkomstig de alinea's (a) en (b) van artikel 61, behoudens een wachttijd, waarvan de voorwaarden niet strenger mogen zijn dan die genoemd in het eerste lid van artikel 63.
Tabel, Periodieke betalingen aan de model-gerechtigden
behorende bij deel XI
Deel | VERZEKERD GEVAL | MODEL-GERECHTIGDE | Percentage |
|---|---|---|---|
III | Ziekte | Man met vrouw en twee kinderen | 50 |
IV | Werkloosheid | Man met vrouw en twee kinderen | 50 |
V | Ouderdom | Pensioengerechtigde man met echtgenote | 45 |
VI | Arbeidsongevallen en beroepsziekten: | ||
Ongeschiktheid tot werken | Man met vrouw en twee kinderen | 50 | |
Algeheel verlies van de geschiktheid om inkomsten uit arbeid te verwerven | Man met vrouw en twee kinderen | ||
(a) algemeen | (a) | 50 | |
(b) wanneer blijvende hulp nodig is | (b) | 662/3 | |
Nagelaten betrekkingen | Weduwe met twee kinderen | 45 | |
VIII | Moederschap | Vrouw | 50 |
IX | Invaliditeit | Man met vrouw en twee kinderen | 50 |
X | Nagelaten betrekkingen | Weduwe met twee kinderen (of 2 kinderen wanneer het weduwenpensioen slechts wordt uitgekeerd wanneer de weduwe niet in staat is in haar eigen onderhoud te voorzien | 45 |
Artikel 74, leden 1 en 2 worden gelezen als volgt;
1
Elke Lid-Staat die de Code en dit Protocol heeft bekrachtigd, legt aan de Secretaris-Generaal een jaarlijks rapport over met betrekking tot de toepassing van beide documenten. Dit rapport moet:
- (a)
volledige inlichtingen verstrekken omtrent de wetgeving ter uitvoering van de bepalingen van de Code en dit Protocol waarop zijn bekrachtiging betrekking heeft; en
- (b)
de bewijsstukken verschaffen waaruit blijkt dat de betrokken Lid-Staat heeft voldaan aan de statistische vereisten omschreven in:
- (i)
- (ii)
de artikelen 44, 65, 66 of 67, wat betreft de bedragen der uitkeringen;
- (iii)
artikel 24, lid 2, wat betreft de duur van de uitkering bij werkloosheid; en
- (iv)
artikel 70, lid 2, wat betreft het aandeel in de inkomsten voortkomende uit de verzekeringspremies van de beschermde loontrekkenden.
Deze bewijsstukken moeten zoveel mogelijk worden verstrekt op de wijze en in de volgorde als door de commissie is aangegeven.
2
Elke Lid-Staat die de Code en dit Protocol heeft bekrachtigd verstrekt de Secretaris-Generaal op diens verzoek verdere gegevens omtrent de wijze waarop hij de bepalingen van de Code en dit Protocol waarop zijn bekrachtiging betrekking heeft, uitvoert.
Artikel 75 wordt gelezen als volgt:
1
Na overleg met de Raadgevende Vergadering, beslist het Comité van Ministers, indien het dit nodig oordeelt, met een meerderheid van twee derde van het aantal uitgebrachte stemmen overeenkomstig artikel 20 alinea (d) van het Statuut van de Raad van Europa of elke Lid-Staat die de Code en dit Protocol heeft bekrachtigd, heeft voldaan aan de verplichtingen van de Code en dit Protocol welke hij heeft aanvaard.
2
Indien het Comité van Ministers van oordeel is dat een Lid-Staat die de Code en dit Protocol heeft bekrachtigd niet aan zijn uit de Code en dit Protocol voortvloeiende verplichtingen voldoet, verzoekt het deze Lid-Staat de maatregelen te nemen die het Comité van Ministers noodzakelijk oordeelt ter verzekering van de naleving van die verplichtingen.
Artikel 76 wordt gelezen als volgt:
Elke Lid-Staat die de Code en dit Protocol heeft bekrachtigd moet om de twee jaar verslag uitbrengen aan de Secretaris-Generaal omtrent de stand van zijn wetgeving en de toepassing ervan met betrekking tot de bepalingen van elk der delen II tot en met X van de Code en het Protocol, welke overeenkomstig artikel 3 niet reeds zijn vermeld in zijn akte van bekrachtiging noch in een latere kennisgeving gedaan op grond van artikel 4.
Artikel 79 wordt gelezen als volgt:
1
Na de inwerkingtreding van dit Protocol kan het Comité van Ministers elke Staat die geen lid is van de Raad van Europa uitnodigen tot dit Protocol toe te treden. De toetreding van zulk een Staat is onderworpen aan de voorwaarden en de procedure van bekrachtiging als voorzien in dit Protocol.
2
Een Staat treedt tot dit Protocol toe door nederlegging van een akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal. Ten aanzien van een Staat die tot dit Protocol toetreedt wordt het van kracht één jaar na het tijdstip van nederlegging van zijn akte van toetreding.
3
De plichten en rechten van een toetredende Staat zijn dezelfde als die welke in dit Protocol zijn voorzien voor de Lid-Staten die het Protocol hebben bekrachtigd.
Artikel 80 wordt gelezen als volgt:
1
De Code en/of dit Protocol is van toepassing op het moederland van elke Lid-Staat ten aanzien waarvan het van kracht is en van elke toetredende Staat. Elke Lid-Staat of elke toetredende Staat kan bij de ondertekening of de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of van toetreding, door middel van een verklaring aan de Secretaris-Generaal, het grondgebied aangeven dat voor de toepassing van de Code en/of dit Protocol beschouwd moet worden als zijn moederland.
2
Elke Lid-Staat die de Code en/of dit Protocol bekrachtigt of elke toetredende Staat kan, bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of van toetreding, of op elk tijdstip daarna, de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen dat de Code en/of dit Protocol geheel of gedeeltelijk, behoudens eventuele in de kennisgeving opgenomen wijzigingen, eveneens zal gelden voor enig niet overeenkomstig het eerste lid van dit artikel aangegeven deel van het moederland of voor een of meer van de andere gebieden voor wier internationale betrekkingen hij verantwoordelijk is. In zulk een kennisgeving aangegeven wijzigingen kunnen door middel van een latere kennisgeving worden ingetrokken of gewijzigd.
3
Elke Lid-Staat ten aanzien waarvan de Code of de Code en dit Protocol van kracht is of elke toetredende Staat kan gedurende de tijdvakken waarin hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 81 de Code en/of dit Protocol kan opzeggen, de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen dat de Code en/of het Protocol ophoudt van toepassing te zijn op enig deel van het moederland of op een of meer van de andere gebieden waarop hij overeenkomstig lid 2 van dit artikel de Code en/of het Protocol van toepassing heeft verklaard.
Artikel 81 wordt gelezen als volgt:
Elke Lid-Staat die de Code en dit Protocol heeft bekrachtigd en elke Staat die daartoe is toegetreden mag eerst na het verstrijken van een tijdvak van vijf jaar, gerekend van het tijdstip waarop de Code en/of dit Protocol ten aanzien van zulk een Lid-Staat onderscheidenlijk toetredende Staat van kracht werd, of telkens na het verstrijken van elk volgend tijdvak van vijf jaar, de Code en het Protocol of alleen het Protocol of een of meer van de delen II tot en met X van deze documenten opzeggen, waarbij steeds tegenover de Secretaris-Generaal een opzeggingstermijn van één jaar in acht moet worden genomen. Zulk een opzegging tast de geldigheid van de Code en/of het Protocol ten aanzien van de andere Lid-Staten die deze hebben bekrachtigd of ten aanzien van de andere Staten die ertoe zijn toegetreden, niet aan, mits het aantal van die Lid-Staten of toegetreden Staten niet minder bedraagt dan drie voor de Code en drie voor het Protocol.
Artikel 82 wordt gelezen als volgt:
De Secretaris-Generaal doet aan de Lid-Staten van de Raad, de Regeringen van alle toetredende Staten en de Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau mededeling van:
- (i)
de datum van inwerkingtreding van dit Protocol en de namen van de Lid-Staten die het hebben bekrachtigd;
- (ii)
de nederlegging overeenkomstig het bepaalde in artikel 79 van alle akten van toetreding en van alle tegelijk daarmede ontvangen kennisgevingen;
- (iii)
alle kennisgevingen die hij ter uitvoering van het bepaalde in de artikelen 4 en 80 heeft ontvangen; en
- (iv)
alle kennisgevingen van opzegging die hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 81 heeft ontvangen.
Titel II
1
Geen Lid-Staat van de Raad van Europa kan dit Protocol ondertekenen of bekrachtigen zonder gelijktijdig of tevoren de Europese Code inzake sociale zekerheid te hebben ondertekend of bekrachtigd.
2
Geen Staat kan tot dit Protocol toetreden zonder gelijktijdig of te voren tot de Europese Code inzake sociale zekerheid te zijn toegetreden.
Titel III
1
Dit Protocol staat open voor ondertekening door de Lid-Staten. Het moet worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal, mits het Comité van Ministers in daarvoor in aanmerking komende gevallen te voren een bevestigende beslissing heeft genomen als bedoeld in lid 4 van Titel IV.
2
Dit Protocol treedt in werking één jaar na het tijdstip van nederlegging van de derde akte van bekrachtiging.
3
Ten aanzien van elke ondertekenende Staat die dit Protocol op een later tijdstip bekrachtigt, treedt het in werking één jaar na het tijdstip van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging.
Titel IV
1
Elke ondertekenende Staat die zich wenst te beroepen op de bepalingen van artikel 2, lid 2, van de Code, als bij dit Protocol gewijzigd, legt, alvorens tot bekrachtiging over te gaan, aan de Secretaris-Generaal een verslag over, waaruit blijkt in hoeverre zijn stelsel van sociale zekerheid in overeenstemming is met de bepalingen van dit Protocol.
Dit verslag moet een verklaring bevatten aangaande:
- (a)
de ter zake bestaande wetgeving en
- (b)
gegevens waaruit blijkt dat is voldaan aan de statistische voorwaarden neergelegd in de volgende bepalingen van de Code, als bij dit Protocol gewijzigd:
- (i)
- (ii)
de artikelen 44, 65, 66 of 67, wat de bedragen der uitkeringen betreft;
- (iii)
artikel 24, lid 2, wat de duur van de uitkering bij werkloosheid betreft; en
- (iv)
artikel 70, lid 2, wat betreft het aandeel in de inkomsten voortkomende uit de verzekeringspremies van de beschermde loontrekkenden; en
- (c)
alle elementen waarmede, op verlangen van de ondertekenende Regering, rekening moet worden gehouden, overeenkomstig de leden 2 en 3 van artikel 2 van de Code, als bij dit Protocol gewijzigd.
Voor zover mogelijk dienen deze gegevens te worden verstrekt op de wijze en in de volgorde aangegeven door de Commissie.
2
De betrokken ondertekenende Regering verstrekt de Secretaris-Generaal op diens verzoek verdere gegevens omtrent de punten waarop haar stelsel van sociale zekerheid in overeenstemming is met de bepalingen van dit Protocol.
3
Genoemd verslag en deze verdere gegevens worden bestudeerd door de Commissie, die daarbij de bepalingen van artikel 2, lid 3, van de Code in acht neemt. De Commissie legt aan het Comité van Ministers een verslag over, waarin haar conclusies zijn vervat.
4
Met een meerderheid van twee derde van het aantal uitgebrachte stemmen beslist het Comité van Ministers overeenkomstig het bepaalde in artikel 20, sub (d) van het Statuut van de Raad van Europa, of het stelsel van sociale zekerheid van de ondertekenende Staat in overeenstemming is met de bepalingen van dit Protocol.
5
Indien het Comité van Ministers van oordeel is dat het bedoelde stelsel van sociale zekerheid niet in overeenstemming is met de bepalingen van dit Protocol, verwittigt zij de betrokken ondertekenende Staat hiervan en kan deze aanbevelingen doen omtrent de wijze waarop dit stelsel alsnog met deze bepalingen in overeenstemming kan worden gebracht.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.
GEDAAN te Straatsburg, de 16de april 1964, in de Franse en de Engelse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk gezaghebbend, in één exemplaar, dat zal worden nedergelegd in het archief van de Raad van Europa en waarvan de Secretaris-Generaal voor eensluidend gewaarmerkte afschriften doet toekomen aan elk van de ondertekenende en toetredende Staten, alsmede aan de Directeur-Generaal van het Internationale Arbeidsbureau.
ADDENDUM 2 wordt gelezen als volgt:
Extra voordelen
Deel II
Geneeskundige zorg
1
De geneeskundige controle of behandeling, al naar behoefte, verzorging, verpleging en andere bijkomende zorg in herstellingsoorden, kuuroorden, preventoria en soortgelijke inrichtingen ter voorkoming van tuberculose; de gerechtigde of zijn kostwinner kunnen er echter toe gehouden worden een bijdrage te leveren in de kosten van de ontvangen verzorging, tot een bedrag van een derde van die kosten.
2
Onderhoud van het gebit voor alle beschermde personen; de gerechtigde of zijn kostwinner kunnen er echter toe gehouden worden een bijdrage te leveren in de kosten van de ontvangen verzorging tot een bedrag van 25 procent, behalve wanneer het kinderen en aanstaande moeders betreft.
3
Gebitsprothesen; de gerechtigde of diens kostwinner kunnen er echter toe gehouden worden een bijdrage te leveren tot de helft van de kosten van de verstrekte prothesen.
4
Behandeling in een ziekenhuis, met inbegrip van de verzorging aldaar, hulp van huisartsen, onderscheidenlijk specialisten, verpleging en alle vereiste bijkomende zorg, voor onbepaalde tijd.
5
Verpleging thuis en huishoudelijke hulp; de gerechtigde of zijn kostwinner kunnen er echter toe gehouden worden een bijdrage te leveren in de kosten van de ontvangen verzorging tot een zodanig bedrag dat betrokkene daardoor niet te zwaar wordt belast.
6
Verstrekking van brillen; de gerechtigde of zijn kostwinner kunnen er echter toe gehouden worden een bijdrage te leveren tot de helft van de kosten van de verstrekte bril.
7
Verstrekking van gehoorapparaten; de gerechtigde of zijn kostwinner kunnen er echter toe gehouden worden een bijdrage te leveren tot de helft van de kosten van het verstrekte gehoorapparaat.
8
Verstrekking van kunstledematen en andere belangrijke medische of chirurgische kunstmiddelen; de gerechtigde of zijn kostwinner kunnen er echter toe gehouden worden een bijdrage te leveren tot de helft van de kosten van de ontvangen kunstmiddelen.
9
Wanneer de bijdrage in de kosten wordt vastgesteld op een vast bedrag voor elke behandeling of elk geval waarin kunstmiddelen worden voorgeschreven, mag het totaal van de door alle beschermde personen verrichte betalingen met betrekking tot elk der onder 1, 2, 3, 5, 6, 7 of 8 genoemde soorten verstrekkingen, het voorgeschreven percentage van de totale kosten van die soort verstrekking binnen een bepaald tijdvak niet te boven gaan.
10
Het verlenen van geneeskundige zorg als bepaald in artikel 10 van de Code, als bij dit Protocol gewijzigd, zonder wachttijd.
Deel III
Uitkering van ziekengeld
11
Uitkering van ziekengeld tot een bedrag dat niet lager mag zijn dan het in artikel 16 van de Code bedoelde bedrag, voor onbepaalde tijd.
Deel IV
Uitkering bij werkloosheid
12
Uitkering bij werkloosheid tot een bedrag dat niet lager mag zijn dan het in artikel 22 van de Code bedoelde bedrag, voor onbepaalde tijd, wanneer een beroep wordt gedaan op artikel 21 (a) van de Code, als bij dit Protocol gewijzigd, met het oog op de bekrachtiging.
13
Uitkering aan loontrekkenden die daarop uit hoofde van de normale bepalingen van de wet geen aanspraak kunnen maken of die het tijdvak waarover de gewone uitkeringen worden betaald, hebben overschreden.
Deel V
Ouderdomsuitkeringen
14
Ouderdomsuitkering tot een bedrag van ten minste 50 procent van de uitkering genoemd in artikel 28 van de Code, als bij dit Protocol gewijzigd:
- (a)
voor gevallen als bedoeld in artikel 29, lid 2 van de Code of, wanneer de uitkering genoemd in artikel 28 van de Code, als bij dit Protocol gewijzigd, afhankelijk is van een tijdvak van verblijf en het Lid zich niet beroept op het bepaalde in lid 3 van artikel 29 van de Code, na tien jaren van verblijf; en
- (b)
voor gevallen als bedoeld in artikel 29, lid 5, van de Code, met inachtneming van voorgeschreven voorwaarden betreffende de vroegere economische bedrijvigheid van de beschermde persoon.
Deel VI
Uitkeringen en verstrekkingen bij arbeidsongevallen en beroepsziekten
15
Op het beroep gerichte revalidatie van slachtoffers van bedrijfsongevallen of beroepsziekten.
16
Periodieke uitkeringen aan de nabestaanden in opgaande linie van een beschermde kostwinner, in geval van overlijden ten gevolge van een bedrijfsongeval van deze kostwinner, tot een bedrag van niet minder dan 20 procent van de vroegere inkomsten uit arbeid van de kostwinner of van het loon van een volwassen ongeschoolde mannelijke arbeider, berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 65, onderscheidenlijk 66 van de Code met dien verstande dat de periodieke uitkeringen niet hoger zijn dan het bedrag dat door de kostwinner werd bijgedragen in het onderhoud van de nabestaanden in opgaande linie.
17
Periodieke uitkeringen aan de nabestaanden van een beschermde kostwinner in geval van overlijden dat niet aan een bedrijfsongeval te wijten is, wanneer de kostwinner een pensioen genoot ter zake van algeheel of ernstig verlies van arbeidsgeschiktheid; deze betalingen aan nabestaanden moeten berekend worden overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de Code, als bij dit Protocol gewijzigd.
Deel VIII
Uitkeringen en verstrekkingen bij moederschap
18
Een uitkering of uitkeringen bij geboorte, of een periodieke betaling gedurende de tijd dat het kind door de moeder wordt gevoed.
19
Periodieke betalingen berekend overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de Code, als bij dit Protocol gewijzigd, voor de ten laste van mannen in de beschermde groepen komende echtgenoten, tot een bedrag dat ten minste 50 procent bedraagt van de uitkering genoemd in artikel 50 van de Code, als bij dit Protocol gewijzigd.
20
Uitkeringen en verstrekkingen bij moederschap zonder wachttijd.
Deel IX
Uitkeringen bij invaliditeit
21
Uitkering bij invaliditeit tot een bedrag van ten minste 50 procent van de uitkering genoemd in artikel 56 van de Code, als bij dit Protocol gewijzigd:
- (a)
voor gevallen als bedoeld in artikel 57, lid 2 van de Code of, wanneer de uitkering genoemd in artikel 56 van de Code, als bij dit Protocol gewijzigd, afhankelijk is van een tijdvak van verblijf en het Lid zich niet beroept op het bepaalde in lid 3 van artikel 57 van de Code, na vijf jaren van verblijf; en
- (b)
voor gevallen waarin een beschermde persoon die uitsluitend op grond van zijn gevorderde leeftijd ten tijde van de inwerkingtreding van de bepalingen inzake de toepassing van dit deel als bij dit Protocol gewijzigd, niet heeft voldaan aan de overeenkomstig het bepaalde in lid 2 van artikel 57 van de Code voorgeschreven voorwaarden, met inachtneming van voorgeschreven voorwaarden betreffende de vroegere economische bedrijvigheid van de beschermde persoon.
22
Op het beroep gerichte revalidatie van invaliden.
Deel X
Uitkeringen aan nagelaten betrekkingen
23
Uitkering aan nagelaten betrekkingen tot een bedrag van ten minste 50 procent van de uitkering genoemd in artikel 62 van de Code, als bij dit Protocol gewijzigd:
- (a)
voor gevallen als bedoeld in artikel 63, lid 2 van de Code of, wanneer de uitkering genoemd in artikel 62 van de Code, als bij dit Protocol gewijzigd, afhankelijk is van een tijdvak van verblijf en het Lid zich niet beroept op het bepaalde in lid 3 van artikel 63 van de Code, na vijf jaren van verblijf;
- (b)
voor de gevallen waarin een beschermde persoon wiens kostwinner uitsluitend op grond van zijn gevorderde leeftijd ten tijde van de inwerkingtreding van de bepalingen inzake de toepassing van dit deel, als bij dit Protocol gewijzigd, niet heeft voldaan aan de overeenkomstig het bepaalde in lid 2 van artikel 63 van de Code voorgeschreven voorwaarden, met inachtneming van voorgeschreven voorwaarden betreffende de vroegere economische bedrijvigheid van de kostwinner.
24
Periodieke uitkeringen aan een invalide en armlastige weduwnaar van een beschermde vrouwelijke kostwinner, tot een bedrag van niet minder dan 20 procent van de vroegere inkomsten uit arbeid van de kostwinster of van het loon van een volwassen ongeschoolde mannelijke arbeider, overeenkomstig het bepaalde in artikel 65, onderscheidenlijk 66 van de Code.
Delen II, III, VI of X
25
Een uitkering voor begrafeniskosten met betrekking tot de werkzame beschermde personen tot een bedrag van:
- (i)
hetzij dertig maal het vroegere daginkomen uit arbeid van de beschermde persoon, dat in aanmerking komt of zou zijn gekomen voor de berekening van de uitkering aan nagelaten betrekkingen, de uitkering van ziekengeld, of de uitkering bij arbeidsongeval of beroepsziekte; het totale bedrag van de uitkering behoeft echter niet hoger te zijn dan dertig maal het dagloon van een geschoolde mannelijke arbeider, zoals dit overeenkomstig het bepaalde in artikel 65 van de Code wordt vastgesteld;
- (ii)
hetzij dertig maal het dagloon van een volwassen ongeschoolde mannelijke arbeider, zoals dit overeenkomstig het bepaalde in artikel 66 van de Code wordt vastgesteld.
Delen II of III
26
Een uitkering voor begrafeniskosten ten gunste van de beschermde achtergebleven echtgenoten en kinderen of ten gunste van de achtergebleven echtgenoten en kinderen van de beschermde personen, tot een bedrag van:
- (i)
hetzij vijftien maal het vroegere daginkomen uit arbeid van de beschermde kostwinner dat in aanmerking komt voor de berekening van de uitkering van ziekengeld; het totale bedrag van de uitkering behoeft echter niet hoger te zijn dan vijftien maal het dagloon van een geschoolde mannelijke arbeider, zoals dit overeenkomstig het bepaalde in artikel 65 van de Code wordt vastgesteld;
- (ii)
hetzij vijftien maal het dagloon van een volwassen ongeschoolde mannelijke arbeider, zoals dit overeenkomstig het bepaalde in artikel 66 van de Code wordt vastgesteld.