Einde inhoudsopgave
Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (herschikking)
Artikel 214 Voorziening van financiële verplichtingen
Geldend
Geldend vanaf 29-09-2024
- Bronpublicatie:
23-09-2024, PbEU L 2024, 2024/2509 (uitgifte: 26-09-2024, regelingnummer: 2024/2509)
- Inwerkingtreding
29-09-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
23-09-2024, PbEU L 2024, 2024/2509 (uitgifte: 26-09-2024, regelingnummer: 2024/2509)
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
EU-recht / Financiering
1.
Voor begrotingsgaranties en financiële bijstand aan derde landen wordt in een basishandeling een voorzieningspercentage vastgesteld als een percentage van het bedrag van de toegestane financiële verplichting. In dat bedrag worden de in artikel 211, lid 2, bedoelde bijdragen niet opgenomen.
De basishandeling voorziet in de herziening van het voorzieningspercentage ten minste om de drie jaar.
2.
Het voorzieningspercentage wordt vastgesteld op basis van een door de Commissie uitgevoerde kwalitatieve en kwantitatieve beoordeling van de financiële risico's als gevolg van een begrotingsgarantie of een financiële bijstand aan een derde land volgens het voorzichtigheidsbeginsel, waarbij activa en winsten niet worden overschat en verplichtingen en verliezen niet worden onderschat.
Tenzij anders is bepaald in de basishandeling tot vaststelling van de begrotingsgarantie of financiële bijstand aan een derde land, wordt het voorzieningspercentage gebaseerd op de totale voorziening die van tevoren nodig is om de verwachte nettoverliezen te dekken en daarnaast een toereikende veiligheidsbuffer aan te leggen. Onverminderd de bevoegdheden van het Europees Parlement en van de Raad wordt de totale voorziening opgebouwd gedurende de periode waarin het betrokken financieel memorandum zoals bedoeld in artikel 35 voorziet.
3.
Voor financieringsinstrumenten wordt een voorziening aangelegd om zo nodig te reageren op toekomstige betalingen in verband met een vastlegging in de begroting van dat financieringsinstrument.
4.
De volgende middelen dragen bij tot de voorziening:
- a)
bijdragen uit de begroting, met volledige inachtneming van de verordening tot bepaling van het meerjarig financieel kader en na te hebben onderzocht of herschikkingen mogelijk zijn;
- b)
rendementen op investeringen van de middelen die worden aangehouden in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds;
- c)
nabetalingen door in gebreke gebleven debiteurs volgens de invorderingsprocedure die in de garantie- of de leningsovereenkomst is vastgelegd;
- d)
ontvangsten en andere betalingen die door de Unie zijn ontvangen overeenkomstig de garantie- of de leningsovereenkomst;
- e)
in voorkomend geval, geldelijke bijdragen door de lidstaten en derden overeenkomstig artikel 211, lid 2.
Voor het berekenen van de middelen die volgen uit het in lid 1 bedoelde voorzieningspercentage wordt alleen rekening gehouden met de in de eerste alinea, punten a) tot en met d), van dit lid bedoelde voorzieningen.
5.
Voorzieningen worden gebruikt voor de betaling van:
- a)
een beroep op de begrotingsgarantie;
- b)
betalingsverplichtingen met betrekking tot een vastlegging in de begroting voor een financieringsinstrument;
- c)
financiële verplichtingen als gevolg van het lenen van middelen overeenkomstig artikel 223, lid 1;
- d)
in voorkomend geval, andere uitgaven in verband met de uitvoering van financieringsinstrumenten, begrotingsgaranties en financiële bijstand aan derde landen.
6.
Indien de voorzieningen voor een begrotingsgarantie hoger zijn dan het bedrag van de voorziening dat volgt uit het in lid 1 van dit artikel bedoelde voorzieningspercentage, worden de in lid 4, eerste alinea, punten b), c) en d), van dit artikel bedoelde middelen in verband met die garantie, binnen de grenzen van de in aanmerking komende periode waarin de basishandeling voorziet maar niet buiten de opbouwperiode van de voorziening, en onverminderd artikel 216, lid 4, gebruikt om de begrotingsgarantie tot haar initiële bedrag te herstellen.
7.
De Commissie stelt onmiddellijk het Europees Parlement en de Raad in kennis en kan toereikende aanvullingsmaatregelen of een verhoging van het voorzieningspercentage voorstellen indien:
- a)
het niveau van de voorzieningen voor een begrotingsgarantie als gevolg van een beroep op die begrotingsgarantie onder 50 % van het in lid 1 bedoelde voorzieningspercentage valt, en opnieuw wanneer het onder 30 % van dat voorzieningspercentage valt of wanneer het volgens een risicobeoordeling van de Commissie binnen een jaar onder een van die percentages kan vallen;
- b)
een land dat financiële bijstand van de Unie geniet, niet betaalt op een vervaldag.