Einde inhoudsopgave
Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies
Artikel 2.2.7 Afwijzingsgronden
Geldend
Geldend van 01-04-2026 tot 01-04-2031
- Redactionele toelichting
Dit artikel is opnieuw ingevoegd. Art. 2.2.7 (oud) vervallen.
- Bronpublicatie:
11-02-2026, Stcrt. 2026, 3755 (uitgifte: 12-02-2026, regelingnummer: WJZ/103763693)
- Inwerkingtreding
01-04-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
11-02-2026, Stcrt. 2026, 3755 (uitgifte: 12-02-2026, regelingnummer: WJZ/103763693)
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Bestuursrecht algemeen / Bijzondere onderwerpen bestuursrecht
De minister besluit afwijzend op een aanvraag indien:
- a.
de verlening van subsidie niet in overeenstemming is met de artikelen 21 en 38 van de groepsvrijstellingsverordening landbouw;
- b.
de subsidiabele kosten van het project minder bedragen dan € 25.000;
- c.
de subsidiabele kosten van een deelnemer van een samenwerkingsverband minder bedragen dan € 25.000;
- d.
het voorstel niet aantoonbaar aansluit op of niet gebruik maakt van relevante bestaande kennis en activiteiten, tenzij het een geheel nieuw onderzoeksveld is;
- e.
het een project betreft dat lager is gerangschikt dan een project met een zelfde techniek en aanpak, met een zelfde gewas en een gelijk doel of vallend binnen een gelijk hoofdthema, genoemd in bijlage 2.2.1;
- f.
er eerder op grond van deze titel subsidie is verstrekt voor een soortgelijk project binnen een gelijk hoofdthema, genoemd in bijlage 2.2.1;
- g.
de aanvrager niet beschikt over de juiste expertise en ervaring voor de onderzoeksactiviteiten, of in onvoldoende mate derden inhuurt die beschikken over deze expertise en ervaring, of
- h.
het totaal aantal punten voor de onder artikel 2.2.8, eerste lid, genoemde criteria minder bedraagt dan:
- –
6 punten voor het criterium, bedoeld in artikel 2.2.8, onderdeel a;
- –
9 punten voor het criterium, bedoeld in artikel 2.2.8 onderdeel b;
- –
6 punten voor het criterium, bedoeld in artikel 2.2.8 onderdeel c.