Einde inhoudsopgave
Wet op het financieel toezicht
Artikel 3A:14 MREL voor entiteiten buiten SRM
Geldend
Geldend vanaf 25-03-2026
- Bronpublicatie:
11-03-2026, Stb. 2026, 60 (uitgifte: 24-03-2026, kamerstukken: 36822)
- Inwerkingtreding
25-03-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
16-03-2026, Stb. 2026, 61 (uitgifte: 24-03-2026, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
1.
Een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel b tot en met f, die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, voldoet te allen tijde aan een door de Nederlandsche Bank vast te stellen minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva tenzij er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 45 quaterdecies, derde en vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
2.
De Nederlandsche Bank stelt het minimumvereiste als bedoeld in het eerste lid vast op grond van de artikelen 45 tot en met 45 nonies en 45 quaterdecies, eerste lid en vijfde tot en met achtste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.
3.
Ten behoeve van de vaststelling van de minimumvereisten voor het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva rapporteert een in het eerste lid bedoelde entiteit met inachtneming van de ingevolge artikel 45 decies, vijfde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen gestelde regels de informatie, bedoeld in artikel 45 decies, eerste lid, van die richtlijn aan de Nederlandsche Bank.
4.
Een in het eerste lid bedoelde entiteit rapporteert de informatie bedoeld in het derde lid met de frequenties bedoeld in artikel 45 decies, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen. De Nederlandsche Bank kan verzoeken om frequentere rapportages.
5.
Een in het eerste lid bedoelde entiteit maakt de informatie, bedoeld in artikel 45 decies, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, ten minste jaarlijks openbaar met inachtneming van de ingevolge artikel 45 decies, zesde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen gestelde regels en neemt daarbij het zevende lid van dat artikel in acht.
6.
Het derde tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing op een liquidatie-entiteit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 83 bis bis, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, tenzij de Nederlandsche Bank voor die entiteit het minimumvereisten voor het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 45 quater, tweede lid bis, tweede alinea, van die richtlijn. De Nederlandsche Bank bepaalt in dat geval de inhoud en frequentie van de rapportage- en openbaarmakingsverplichting als bedoeld in het vierde en vijfde lid en deelt die mede aan de entiteit.
7.
Indien een entiteit als bedoeld in het eerste lid niet voldoet aan het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva bedoeld in het eerste lid, past de Nederlandsche Bank tenminste een van de maatregelen toe uit de artikelen 1:74, 1:75a, 1:79, 1:80, 3:111a, 3A:11, 3A:11b of 3A:11c ongeacht de vereisten voor toepassing die in die artikelen genoemd zijn.