Einde inhoudsopgave
Participatiewet
Artikel 34 Vermogen
Geldend
Geldend vanaf 01-01-2026
- Bronpublicatie:
10-12-2025, Stcrt. 2025, 43553 (uitgifte: 18-12-2025, regelingnummer: 2025-0000238547)
01-10-2025, Stb. 2025, 312 (uitgifte: 29-10-2025, kamerstukken: 36582)
- Inwerkingtreding
01-01-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
10-12-2025, Stcrt. 2025, 43553 (uitgifte: 18-12-2025, regelingnummer: 2025-0000238547)
27-10-2025, Stb. 2025, 313 (uitgifte: 29-10-2025, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Sociale zekerheid bijstand / Algemene bijstand
1.
Onder vermogen wordt verstaan:
- a.
de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering;
- b.
middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voorzover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33.
2.
Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:
- a.
bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn;
- b.
het aanwezige vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid;
- c.
spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen;
- d.
het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 50, eerste lid, voorzover dit minder bedraagt dan € 67.500,00;
- e.
vergoedingen voor immateriële schade als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen l en m.
3.
De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde vermogensgrens is:
- a.
voor een alleenstaande: € 8.000,00;
- b.
voor een alleenstaande ouder: € 16.000,00;
- c.
voor de gehuwden tezamen: € 16.000,00.