Einde inhoudsopgave
Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel
Artikel 11 Bescherming van het privé-leven
Geldend
Geldend vanaf 01-02-2008
- Bronpublicatie:
16-05-2005, Trb. 2006, 99 (uitgifte: 12-05-2006, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
01-02-2008
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
25-05-2010, Trb. 2010, 160 (uitgifte: 25-05-2010, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Verdragenrecht
Materieel strafrecht / Algemeen
1.
Elke Partij beschermt het privé-leven en de identiteit van de slachtoffers. Persoonsgegevens die op hen betrekking hebben worden opgeslagen en gebruikt in overeenstemming met de bepalingen vervat in het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens.
2.
Elke Partij neemt maatregelen om in het bijzonder te waarborgen dat de identiteit of details die identificatie mogelijk maken, van een kind dat slachtoffer is van mensenhandel niet openbaar worden gemaakt, noch via de media, noch via andere middelen, behalve, in uitzonderlijke omstandigheden, om het traceren van familieleden te vergemakkelijken of anderszins het welzijn en de bescherming van het kind te verzekeren.
3.
Elke Partij overweegt, overeenkomstig artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zoals uitgelegd door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, maatregelen te nemen teneinde de media aan te moedigen het privé-leven en de identiteit van slachtoffers te beschermen door middel van zelfregulering of door regulering of co-regulering.