Einde inhoudsopgave
Verordening (EU) 2017/1938 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gasleveringszekerheid en houdende intrekking van Verordening (EU) nr. 994/2010
Artikel 6 bis Vuldoelstellingen en vultrajecten
Geldend vanaf 11-09-2025
- Bronpublicatie:
18-07-2025, PbEU L 2025, 2025/1733 (uitgifte: 10-09-2025, regelingnummer: 2025/1733)
- Inwerkingtreding
11-09-2025
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
18-07-2025, PbEU L 2025, 2025/1733 (uitgifte: 10-09-2025, regelingnummer: 2025/1733)
- Vakgebied(en)
Energierecht / Europees energierecht
Energierecht / Distributie
1.
Met inachtneming van de leden 2 tot en met 5 septies behalen de lidstaten op enig moment tussen 1 oktober en 1 december van elk jaar de volgende vuldoelstellingen voor de totale capaciteit van alle ondergrondse gasopslaginstallaties die zich op hun grondgebied bevinden en rechtstreeks verbonden zijn met een afzetgebied op hun grondgebied en voor de in bijlage I ter vermelde opslaginstallaties:
- a)
voor 2022: 80 %;
- b)
met ingang van 2023: 90 %.
Voor de naleving van dit lid houden de lidstaten rekening met de doelstelling om de gasleveringszekerheid in de Unie veilig te stellen overeenkomstig artikel 1.
2.
Niettegenstaande lid 1 en zonder afbreuk te doen aan de verplichtingen van andere lidstaten om de betrokken ondergrondse gasopslaginstallaties te vullen, wordt de vuldoelstelling voor elke lidstaat waar de ondergrondse gasopslaginstallaties zich bevinden, verlaagd tot een volume dat overeenkomt met 35 % van het gemiddelde jaarlijkse gasverbruik over de voorgaande vijf jaar voor die lidstaat.
3.
Niettegenstaande lid 1 en zonder afbreuk te doen aan de verplichtingen van andere lidstaten om de betrokken ondergrondse gasopslaginstallaties te vullen, wordt de vuldoelstelling voor elke lidstaat waar de ondergrondse gasopslaginstallaties zich bevinden, verlaagd met het volume dat tijdens de referentieperiode 2016 tot en met 2021 aan derde landen is geleverd indien het gemiddelde geleverde volume tijdens de onttrekkingsperiode voor gasopslag (oktober-april) meer dan 15 TWh per jaar bedroeg.
4.
Voor de in bijlage I ter vermelde ondergrondse gasopslaginstallaties zijn de vuldoelstellingen op grond van lid 1 en de vultrajecten op grond van lid 7 van toepassing. De details van de verplichtingen van elke lidstaat zullen worden bepaald in een bilaterale overeenkomst overeenkomstig bijlage I ter.
5.
Een lidstaat kan gedeeltelijk de vuldoelstelling behalen door het fysiek opgeslagen LNG dat beschikbaar is in zijn LNG-installaties mee te tellen als aan beide volgende voorwaarden is voldaan:
- a)
het gassysteem omvat aanzienlijke capaciteit voor LNG-opslag, die jaarlijks meer dan 4 % van het gemiddelde nationale verbruik over de voorgaande vijf jaar vertegenwoordigt;
- b)
de lidstaat heeft de gasleveranciers overeenkomstig artikel 6 ter, lid 1, punt a), verplicht om minimumvolumes gas in ondergrondse gasopslaginstallaties en/of LNG-installaties op te slaan.
5 bis
Niettegenstaande lid 1 en onverminderd de verplichting van andere lidstaten om de betrokken ondergrondse gasopslaginstallaties te vullen, kan elke lidstaat in het geval van moeilijke omstandigheden die het vermogen beperken om te waarborgen dat de ondergrondse gasopslaginstallaties overeenkomstig deze verordening worden gevuld, besluiten om tot tien procentpunten af te wijken van de in lid 1, punt b), beschreven vuldoelstelling.
5 ter.
Niettegenstaande lid 1 kan elke lidstaat, naast een mogelijke afwijking overeenkomstig lid 5 bis en onverminderd de verplichting van andere lidstaten om de betrokken ondergrondse gasopslaginstallaties te vullen, besluiten om tot vijf procentpunten af te wijken van de in lid 1, punt b), beschreven vuldoelstelling, indien:
- a)
hun nationale gasproductie hoger is dan hun gemiddeld jaarlijks gasverbruik in de voorgaande twee jaar, of
- b)
specifieke technische kenmerken van een individuele ondergrondse opslaginstallatie met een technische capaciteit van meer dan 40 TWh op hun grondgebied een trage injectiesnelheid vereisen die leidt tot een uitzonderlijk lange injectieperiode van meer dan 115 dagen.
Een lidstaat mag alleen gebruikmaken van de flexibiliteit waarin de eerste alinea voorziet zolang dat geen negatieve gevolgen heeft voor het vermogen van rechtstreeks verbonden lidstaten om gas te leveren aan hun beschermde afnemers of indien dat geen negatieve gevolgen heeft voor de werking van de interne gasmarkt. De Commissie beoordeelt, in samenwerking met de lidstaten die gebruikmaken van de in deze alinea bedoelde flexibiliteit, de mogelijke gevolgen van de uitvoering van die flexibiliteit en stelt de GCG daarvan onmiddellijk in kennis.
5 quater
In geval van aanhoudende ongunstige marktomstandigheden en op voorwaarde dat de leveringszekerheid van de Unie en de lidstaten niet wordt ondermijnd, is de Commissie bevoegd om het op grond van lid 5 bis van dit artikel toegestane afwijkingsniveau voor één vulseizoen te verhogen door middel van een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 19. Een dergelijke verhoging bedraagt niet meer dan vijf procentpunten. Bij de beoordeling van een mogelijke verhoging houdt de Commissie met name rekening met de vulgraad, de mondiale gasleveringen, de seizoensvooruitzichten voor de leveringen aan ENTSB-G en aanwijzingen van marktmanipulatie. Wanneer de Commissie overeenkomstig dit lid het op grond van lid 5 bis van dit artikel toegestane afwijkingsniveau verhoogt, past zij de in lid 2 van dit artikel en in artikel 6 quater, leden 1 en 5, beschreven volumes in dezelfde mate aan teneinde volledige consistentie in de voor de lidstaten geldende vuldoelstellingen te waarborgen.
5 quinquies
De lidstaten kunnen onder dezelfde voorwaarden als die welke in lid 5 bis zijn beschreven, besluiten om tot 3,88 procentpunten af te wijken van het in lid 2 vastgestelde volume.
5 sexies
5 septies
Lidstaten die gebruikmaken van een van de flexibiliteitsregelingen waarin de leden 5 bis tot en met 5 sexies voorzien, raadplegen de Commissie en verstrekken onmiddellijk een motivering. De Commissie brengt de GCG en alle rechtstreeks betrokken lidstaten onverwijld op de hoogte over de cumulatieve effecten van alle gebruikte flexibiliteitsregelingen.
6.
Om de vuldoelstelling te halen, streven de lidstaten ernaar het overeenkomstig lid 7 vastgestelde vultraject te volgen.
7.
Voor 2023 en de daaropvolgende jaren dient elke lidstaat met ondergrondse gasopslaginstallaties uiterlijk op 15 september van het voorgaande jaar bij de Commissie in geaggregeerde vorm een vultraject in met tussentijdse streefdoelen voor februari, mei, juli en september, met inbegrip van technische informatie, voor de ondergrondse gasopslaginstallaties op zijn grondgebied die een rechtstreekse interconnectie met zijn afzetgebied hebben. Het vultraject en de tussentijdse streefdoelen worden gebaseerd op het gemiddelde vulniveau gedurende de vijf voorgaande jaren.
Voor lidstaten waarvoor de vuldoelstelling op grond van lid 2 verlaagd is tot 35 % van hun gemiddeld jaarlijks gasverbruik, worden de tussentijdse streefdoelen van het vultraject dienovereenkomstig verlaagd.
De Commissie stelt de GCG zonder onnodige vertraging in kennis van de door de lidstaten ingediende geaggregeerde vultrajecten.
8.
Elke lidstaat neemt alle nodige maatregelen overeenkomstig artikel 6 ter om de vuldoelstelling te halen. Indien een lidstaat in een bepaald jaar zijn vuldoelstelling niet haalt, neemt hij doeltreffende maatregelen om de leveringszekerheid te waarborgen, waarbij rekening wordt gehouden met het prijseffect op de gasmarkt. Indien een lidstaat de vuldoelstelling niet haalt, stelt hij de Commissie en de GCG daarvan onverwijld in kennis, met opgave van de redenen voor het niet-halen van de vuldoelstelling en de genomen maatregelen.
9.
De vuldoelstelling is niet van toepassing wanneer en zolang de Commissie op grond van artikel 12 een noodsituatie op regionaal of Unieniveau heeft afgekondigd op verzoek van, naargelang het geval, een of meer lidstaten die een nationale noodsituatie hebben afgekondigd.
10.
De bevoegde instantie van elke lidstaat kan overeenkomstig artikel 6 ter alle nodige maatregelen nemen om het vultraject na te leven, waaronder de invoering van bindende tussentijdse streefdoelen op nationaal niveau. Zij monitort het volgen van het vultraject voortdurend en brengt daarover regelmatig verslag uit aan de GCG. De Commissie informeert de GCG regelmatig over de mate waarin elke lidstaat het indicatieve traject naleeft.
11.
In het geval van een substantiële en aanhoudende afwijking van het vultraject door een lidstaat, die het behalen van de vuldoelstelling in het gedrang brengt, of in het geval van een afwijking van de vuldoelstelling die niet is toegestaan op grond van leden 5 bis tot en met 5 sexies, richt de Commissie, indien passend, na raadpleging van de GCG en de betrokken lidstaat, een aanbeveling tot die lidstaat of tot de andere betrokken lidstaten met betrekking tot maatregelen die moeten worden genomen om die afwijking weg te nemen of om het effect op de leveringszekerheid tot een minimum te beperken, rekening houdend met onder andere mogelijk moeilijke of ongunstige marktomstandigheden alsook de specifieke omstandigheden in de lidstaten, zoals de technische kenmerken en de capaciteit van de ondergrondse gasopslaginstallaties in verhouding tot het binnenlandse gasverbruik, het afnemende belang van de ondergrondse opslaginstallaties voor laagcalorisch gas voor de gasleveringszekerheid en bestaande LNG-opslagcapaciteit.