Einde inhoudsopgave
Besluit bouwwerken leefomgeving - Nota van toelichting
§ 4.6.2 Toegankelijkheidssector
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
Deze paragraaf bevat de regels voor de toegankelijkheid voor rolstoelgebruikers. Meer informatie over maatregelen voor de toegankelijkheid voor rolstoelgebruikers en voor mensen met een beperking in het algemeen is opgenomen in het Handboek voor toegankelijkheid (7de druk, 2012). Dit handboek geeft richtlijnen voor onder meer toegankelijke gebouwen en woningen en kan betrokken worden bij het ontwerp, de inrichting en beheer van gebouwen.
Artikel 4.183 (aansturingsartikel)
In de functionele eis van het eerste lid is bepaald dat een bouwwerk ruimten moet hebben die voldoende toegankelijk zijn. De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Die regels zijn er op gericht om aangewezen ruimten rolstoeltoegankelijk te maken. Die ruimten liggen dan in een toegankelijkheidssector. In bijlage I is een definitie van het begrip toegankelijkheidssector opgenomen, zie ook de artikelsgewijze toelichting op dat begrip.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor de lichte industriefunctie, de overige gebruiksfunctie en het bouwwerk geen gebouw zijnde wijst de tabel van het tweede lid geen regels aan. Uit de hoofdregel van artikel 4.4 volgt dat de functionele eis evenmin op deze gebruiksfuncties van toepassing is.
Artikel 4.184 (toegankelijkheidssector: aanwezigheid)
In dit artikel is aangegeven wanneer in een gebouw een toegankelijkheidssector moet zijn. Een toegankelijkheidssector is een voor personen met een functiebeperking zelfstandig bruikbaar en toegankelijk gedeelte van een gebouw. Zie voor het begrip toegankelijkheidssector de toelichting op bijlage I, onderdeel A. Artikel 4.184 moet worden gelezen in samenhang met artikel 4.185, dat ingaat op de omvang van de toegankelijkheidssector, en artikel 4.186, dat in gaat op de aanwezigheid van bepaalde ruimten in de toegankelijkheidssector, zoals een integraal toegankelijke toilet- of badruimte. Voorts stellen de artikelen 4.179 tot en met 4.182 van paragraaf 4.6.1 eisen aan de vrije doorgang, bereikbaarheid, hoogteverschillen en omvang van de liftkooi.
Het eerste lid vereist de aanwezigheid van een toegankelijkheidssector in hoge of grote woongebouwen. Het gaat om woongebouwen met een vloer van een verblijfsgebied op een hoogte van meer dan 12,5 m en om woongebouwen met een totale gebruiksoppervlakte van meer dan 3.500 m2 die hoger ligt dan 1,5 m boven het meetniveau. Op grond van dit eerste lid moet een woongebouw met 4 of meer verdiepingen altijd een personenlift (als bedoeld in bijlage I, onderdeel A) hebben. Bij iedere toegankelijkheidssector is het nodig dat hoogteverschillen groter dan 2 cm door een personenlift of hellingbaan worden overbrugd (zie ook artikel 4.182).
Het tweede lid geeft aan dat een woonfunctie voor zorg die groter is dan 500 m2 (gebruiksoppervlakte) ten minste één verblijfsgebied in een toegankelijkheidssector moet hebben. Hieruit volgt dat er altijd een ruimte in de woonfunctie moet zijn die toegankelijk is voor personen met een functiebeperking (toegankelijkheidssector). In artikel 4.186, eerste lid, en artikel 4.187, eerste lid, zijn regels gegeven waaraan deze ruimte moet voldoen.
Het derde lid geeft aan wanneer een utiliteitsgebouw een toegankelijkheidssector moet hebben en hoe groot deze moet zijn. Wanneer de totale gebruiksoppervlakte van alle in een gebouw gelegen gebruiksfuncties waarvoor dit derde lid geldt meer dan 400 m2 (celfunctie, kantoorfunctie, industriefunctie, logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw, onderwijsfunctie of sportfunctie) of 250 m2 (bijeenkomstfunctie, gezondheidszorgfunctie, logiesfunctie in een logiesgebouw of winkelfunctie) bedraagt dan moet er een toegankelijkheidssector zijn. Sinds de invoering van het Bouwbesluit 2012 wordt bij het bepalen of de grens van 400 m2 of 250 m2 is overschreden niet alleen naar gebruiksfuncties van dezelfde soort gekeken maar naar alle gebruiksfuncties waarvoor de regel geldt. Zo moet bijvoorbeeld ook een in een kantoorgebouw gelegen bedrijfsrestaurant (bijeenkomstfunctie) worden meegeteld om te beoordelen of er een toegankelijkheidssector moet zijn. Er zal dus eerder sprake zijn van een plicht tot het realiseren van zo'n sector.
Het vierde lid geeft een specifieke regel voor de bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik (bijvoorbeeld een café). Een café met een gebruiksoppervlakte van meer dan 150 m2 moet altijd een toegankelijkheidssector hebben, ook als dat volgens het derde lid niet nodig zou zijn. Voor een kleiner café moet naar het derde lid worden gekeken om te bepalen of, in samenhang met andere functies in het gebouw, een toegankelijkheidssector nodig is. Bij een toegankelijkheidssector zal het café op grond van artikel 4.186, tweede lid, een integraal toegankelijke toiletruimte moeten hebben.
Artikel 4.185 (toegankelijkheidssector: vloeroppervlakte algemeen)
Het eerste lid geeft aan welke vloeroppervlakte aan verblijfgebied van een gebruiksfunctie in de toegankelijkheidssector moet liggen. Dit geldt alleen voor gebruiksfuncties met een toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.184. Met behulp van het in tabel 4.183 genoemde percentage moet worden berekend welk deel van de vloeroppervlakte aan verblijfsgebied in de toegankelijkheidssector moet liggen. Dus als in een winkelcentrum meer dan 250 m2 aan winkelfuncties ligt (zie artikel 4.184) dan moet elke afzonderlijke winkelfunctie een toegankelijkheidssector hebben. Ofwel iedere winkel moet voor 60% rolstoeltoegankelijk zijn. Bij de onderwijsfunctie moet 100% van de totale vloeroppervlakte aan verblijfsgebied in een toegankelijkheidssector liggen. Door een onderwijsfunctie volledig als toegankelijkheidssector te moeten aanwijzen, wordt voorkomen dat een gedeelte van de school niet voor rolstoelgebruikers toegankelijk zouden zijn.
Het tweede lid regelt dat bij een bijeenkomstfunctie die tevens een nevengebruiksfunctie van een industrie- of kantoorfunctie is, het gaat dan om een kantine of bedrijfsrestaurant, kan worden volstaan met een toegankelijkheidspercentage van 40% in plaats van de in het eerste lid bedoelde 80%. Dit geldt alleen voor een bijeenkomstfunctie met een toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.184.
Artikel 4.186 (toegankelijkheidssector: aanwezigheid specifieke ruimten)
Het eerste lid geeft aan dat een gebruiksfunctie met een voorgeschreven toegankelijkheidssector ten minste één integraal toegankelijk verblijfsgebied moet hebben. Deze regel geldt alleen voor woonfunctie voor zorg met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2.
In het tweede lid is geregeld dat 5% (1 op de 20) van de logiesverblijven toegankelijk moet zijn voor rolstoelgebruikers.
Het derde lid geeft aan dat een gebruiksfunctie met een voorgeschreven toegankelijkheidssector ten minste één integraal toegankelijke toiletruimte (invalidentoilet) moet hebben.
In het vierde lid is voor de celfunctie, de gezondheidszorgfunctie, de industriefunctie, de kantoorfunctie en de onderwijsfunctie aangegeven, dat bij een voorgeschreven toegankelijkheidssector op één integraal toegankelijke toiletruimte niet meer dan het in de tabel genoemde aantal personen mag zijn aangewezen (1050 personen bij een onderwijsfunctie, respectievelijk 300 bij een andere gebruiksfunctie met een toegankelijkheidssector). De uitkomst van deze berekening wordt naar boven afgerond. Dit betekent dat bij een kantoorfunctie voor bijvoorbeeld 350 personen ten minste twee integraal toegankelijke toiletruimten nodig zijn. Bij het vaststellen van het aantal personen dat is aangewezen op een integraal toegankelijke ruimte als bedoeld in dit artikel moet worden uitgegaan van het aantal personen waarvoor de gebruiksfunctie is bedoeld, ongeacht het aantal personen dat daadwerkelijk een handicap heeft. Dat wil zeggen dat bij de berekening ook personen moeten worden meegeteld die normaalgesproken geen behoefte hebben aan een invalidentoilet.
Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat dit besluit geen eisen meer stelt aan de aanwezigheid en omvang van reguliere toiletruimten en badruimten. De opdrachtgever en indiener van een bouwplan zijn zelf verantwoordelijk voor het maken van voldoende toilet- en badruimten in een gebouw. Bij een toets aan dit besluit speelt het aantal reguliere ruimten geen rol, maar alleen het aantal integraal toegankelijke ruimten.
Op grond van het vijfde lid moet een gezondheidszorgfunctie met bedgebied voor iedere 500 m2 vloeroppervlakte aan bedgebied ten minste één integraal toegankelijke badruimte hebben. De uitkomst van deze berekening wordt naar boven afgerond. Dit betekent dat bij een bedgebied van 800 m2 ten minste twee integraal toegankelijke badruimten nodig zijn.
Het zesde lid bepaalt voor de cel- en logiesfunctie met een voorgeschreven toegankelijkheidssector, waar een badruimte wordt gerealiseerd, ten minste één van de badruimten een integraal toegankelijke badruimte moet zijn. Die badruimte moet in de toegankelijkheidssector liggen. Wordt er meer dan een badruimte gerealiseerd dan moet ten minste één op de twintig badruimten een integraal toegankelijke badruimte zijn. Het combineren van een integraal toegankelijke badruimte met een toiletruimte is toegestaan, dit volgt uit artikel 4.187 waarin daarvoor de afmetingseisen zijn opgenomen. In dat artikel wordt niet gesproken van een integraal toegankelijke toiletruimte maar van een toiletruimte in algemene zin, waarmee tot uitdrukking is gebracht dat in de combinatie zowel een integraal toegankelijke als een niet-integraal toegankelijke toegankelijke toiletruimte is toegestaan.
Artikel 4.187 (toegankelijkheidssector: vloeroppervlakte specifieke ruimten)
Dit artikel heeft alleen betrekking op in artikel 4.186 voorgeschreven integraal toegankelijke verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten. Extra verblijfsruimten, toiletruimten of badruimten, of badruimten in gebruiksfuncties waarvoor geen badruimte is voorgeschreven, behoeven niet aan deze afmetingseisen te voldoen. Er is geen bezwaar als een integraal toegankelijke ruimte ook bestemd is voor personen zonder functiebeperking.
Het eerste lid geeft dat er in elk integraal toegankelijk verblijfsgebied ten minste een integraal toegankelijke verblijfsruimte moet zijn met een vloeroppervlakte van ten minste 14 m2 bij een breedte van ten minste 3,2 m. Deze afmetingseisen zijn niet verbonden aan een extra verblijfsruimte in het verblijfsgebied. Omdat een verblijfsruimte altijd in een verblijfsgebied moet liggen (zie onderdeel A van bijlage I) volgt uit dit lid dat ook een integraal toegankelijk verblijfsgebied, zelfs als de indeling in verblijfsruimten nog niet bekend is, niet kleiner mag zijn dan de hiervoor bedoelde 14 m2 bij een breedte van ten minste 3,2 m. Deze regel geldt alleen voor een logiesfunctie. Deze afmetingseisen zijn niet verbonden aan een extra verblijfsruimte in het verblijfsgebied. Omdat een verblijfsruimte altijd in een verblijfsgebied moet liggen (zie onderdeel A van bijlage I) volgt uit dit lid dat ook een integraal toegankelijk verblijfsgebied, zelfs als de indeling in verblijfsruimten nog niet bekend is, niet kleiner mag zijn dan de hiervoor bedoelde 14 m2 bij een breedte van ten minste 3,2 m. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat een in een toegankelijkheidssector gelegen verblijfsgebied en verblijfsruimte ook moeten voldoen aan de eisen van paragraaf 4.5.2. Dat wil zeggen dat de hoogte boven de vloer ten minste 2,6 m zal moeten zijn.
Het tweede lid stelt dat de vloeroppervlakte van een integraal toegankelijke badruimte een breedte van ten minste 1,65 m bij een lengte van ten minste 2,2 m moet hebben. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat een in een toegankelijkheidssector gelegen toiletruimte ook moet voldoen aan de eisen van paragraaf 4.5.3, waarbij de zwaarste eis maatgevend is. Dat wil zeggen dat de hoogte boven de vloer ten minste 2,3 m zal moeten zijn.
Het derde lid stelt dat de vloeroppervlakte van een integraal toegankelijke badruimte een breedte van ten minste 1,6 m bij een lengte van ten minste 1,8 m moet hebben. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat een in een toegankelijkheidssector gelegen badruimte ook moet voldoen aan de eisen van paragraaf 4.5.4, waarbij de zwaarste eis maatgevend is. Dat wil zeggen dat de hoogte boven de vloer ten minste 2,3 m zal moeten zijn.
Het combineren van een integraal toegankelijke badruimte met een toiletruimte is toegestaan, dit volgt uit het vierde lid dat daarvoor de minimale afmetingseisen geeft. In het vierde lid wordt niet gesproken van een integraal toegankelijke toiletruimte maar van een toiletruimte in algemene zin, waarmee tot uitdrukking is gebracht dat de combinatiemogelijk voorziet in een combinatie met een integraal toegankelijke toiletruimte of met een niet-integraal toegankelijke toiletruimte.
In dit artikel is geen eis opgenomen voor de hoogde van de ruimten. In al deze ruimten start een vluchtroute (zie artikel 4.65, eerste lid). Zodoende moeten ook deze ruimten voldoen aan de in artikel 4.78, eerste lid, bedoelde minimale hoogte van 2,1 meter.
Artikel 4.188 (toegankelijkheidssector: bereikbaarheid)
Het eerste lid bepaalt dat een ruimte die in een toegankelijkheidssector moet liggen, bijvoorbeeld een integraal toegankelijke toiletruimte, rechtstreeks bereikbaar moet zijn vanaf het aansluitende terrein of langs een verkeersroute die alleen door een of meer toegankelijkheidssectoren voert. Op deze manier is die ruimte vanaf het aansluitende terrein of vanuit de toegankelijkheidssector zelfstandig toegankelijk voor rolstoelgebruikers.
Het tweede lid regelt dat de toegang van de toegankelijkheidssector van een gebouw de hoofdtoegang van het gebouw moet zijn. Dit om te voorkomen dat mensen met een functiebeperking een pand alleen via bijvoorbeeld de dienstingang, achterdeur of tuiningang, kunnen benaderen.
Het derde lid regelt voor de woonfunctie dat een verkeersroute als bedoeld in het eerste lid niet door niet-gemeenschappelijke ruimten van een andere gebruiksfunctie mag voeren. Ruimten van een andere woning zijn namelijk in principe niet vrij toegankelijk voor bewoners van andere woningen.
Het vierde lid regelt dat in een flatgebouw met een toegankelijkheidssector elke woning zelfstandig moet kunnen worden bereikt door rolstoelgebruikers. Dit betekent dat de voor de woning liggende gemeenschappelijke verkeersruimte moet zijn aangemerkt als toegankelijkheidssector.
Artikel 4.189 (toegankelijkheidssector: hoogteverschillen)
Artikel 4.189 waarborgt dat een rolstoelgebruiker vanuit ieder punt in een toegankelijkheidssector zelfstandig het aansluitende terrein kan bereiken. Dit geldt voor alle gebruiksfuncties met een toegankelijkheidssector. Om aan het eerste lid te voldoen is het nodig dat er ten minste één route is die geen hoogteverschillen (drempels) heeft van meer dan 2 cm. Hoogteverschillen die groter zijn, moeten worden overbrugd door een lift of een hellingbaan. Daarbij mag het totale hoogteverschil op die ene route tussen het aansluitende terrein en de toegang van de toegankelijkheidssector (de toegang van het gebouw) niet groter zijn dan 1 m, ongeacht of er een lift wordt gebruikt of een hellingbaan.
Extra routes vanuit de toegankelijkheidssector behoeven niet aan deze regels te voldoen. Dit betekent dat er wel alternatieve route mag zijn die over een trap voert.
Artikel 4.190 (lift: afmetingen en loopafstand)
Dit artikel is alleen gericht op personenliften (zie het begrip lift in bijlage I) in gebouwen met een toegankelijkheidssector. Liften in gebouwen zonder toegankelijkheidssector behoeven daarom niet aan deze eisen te voldoen.
Het eerste lid geeft een algemene regel voor de oppervlakte van iedere liftkooi in een toegankelijkheidssector. De afmetingen van ten minste 1,05 m bij 1,35 m waarborgen de rolstoeltoegankelijkheid van de personenlift.
Het tweede lid geeft een aanvullende eis voor woongebouwen met een toegankelijkheidssector én meer dan zes woningen. Dat woongebouw moet ten minste één lift hebben met een vloeroppervlakte van 1,05 bij 2,05 m (brancardlift) of groter. Eventuele extra liften behoeven alleen aan de oppervlakte-eis van het eerste lid te voldoen.
Het is mogelijk om bij een lift voor maximaal zes woningen te volstaan met de kleinere lift. Bij meerdere liften kan met één brancardlift worden volstaan.
Het derde lid stelt eisen aan de loopafstand naar de lift. Deze mag nooit langer zijn dan 90 m. Als er meer dan een lift is, dan moet gezien vanuit elke woning ten minste één personenlift binnen deze afstand liggen. Als er ook een brancardlift moet zijn dan moet vanuit elke woning ten minste een brancardlift binnen 90 m liggen. De route waarover de loopafstand wordt gemeten ligt alleen in een toegankelijkheidssector.