Einde inhoudsopgave
Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen, 1961
Artikel 19 Ramingen van de behoeften aan verdovende middelen
Geldend
Geldend vanaf 08-08-1975
- Redactionele toelichting
Deze wijziging is voor het Koninkrijk der Nederlanden op 28-06-1987 in werking getreden. Deze wijziging is nog niet voor alle partijen in werking getreden. Zie voor de inwerkingtredingsgegevens van deze wijziging het protocol van 25-03-1972, Trb. 1980, nr. 184.
- Bronpublicatie:
25-03-1972, Trb. 1980, 184 (uitgifte: 27-11-1980, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
08-08-1975
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
27-11-1980, Trb. 1980, 184 (uitgifte: 27-11-1980, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Internationaal strafrecht / Bijzondere onderwerpen
1.
Partijen verstrekken het Comité met betrekking tot elk van hun gebieden jaarlijks op de wijze en in de vorm door het comité voorgeschreven en op door het Comité verstrekte formulieren de volgende ramingen:
- (a)
de hoeveelheden verdovende middelen te verbruiken voor geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden;
- (b)
de hoeveelheden verdovende middelen te gebruiken voor de vervaardiging van andere verdovende middelen, van de preparaten van Lijst III en van niet onder dit Verdrag vallende stoffen;
- (c)
de voorraden verdovende middelen op 31 december van het jaar waarop de ramingen betrekking hebben;
- (d)
de hoeveelheden verdovende middelen die moeten worden toegevoegd aan bijzondere voorraden;
- (e)
de oppervlakte (in hectaren) en de geografische ligging van de voor de verbouw van de papaver te gebruiken grond;
- (f)
bij benadering, de te produceren hoeveelheid opium;
- (g)
het aantal industriële inrichtingen dat synthetische verdovende middelen vervaardigt; en
- (h)
de door elk van de in de voorgaande letter bedoelde inrichtingen te vervaardigen hoeveelheden synthetische verdovende middelen.
2
- (a)
Niet medegerekend de in artikel 21, derde lid, bedoelde afgetrokken hoeveelheden, bestaat het totaal der ramingen voor elk gebied en elk verdovend middel, met uitzondering van opium en synthetische verdovende middelen, uit het totaal van de krachtens de letters (a), (b) en (d) van het eerste lid van dit artikel aangeduide hoeveelheden, onder toevoeging van elke hoeveelheid die nodig is om de voorraden die op 31 december van het voorafgaande jaar daadwerkelijk aanwezig waren op het overeenkomstig letter (c) van het eerste lid geraamde peil te brengen.
- (b)
Niet medegerekend de in artikel 21, derde lid, bedoelde afgetrokken hoeveelheden met betrekking tot de invoer en de in artikel 21 bis, tweede lid, bedoelde afgetrokken hoeveelheden, bestaat het totaal der ramingen voor opium voor elk gebied uit hetzij het totaal van de krachtens de letters (a), (b) en (d) van het eerste lid van dit artikel aangeduide hoeveelheden, onder toevoeging van elke hoeveelheid die nodig is om de voorraden die op 31 december van het voorafgaande jaar daadwerkelijk aanwezig waren op het overeenkomstig letter (c) van het eerste lid geraamde peil te brengen, hetzij uit de hoeveelheid aangegeven krachtens letter (f) van het eerste lid van dit artikel, met dien verstande dat de grootste hoeveelheid van beide wordt aangehouden.
- (c)
Niet medegerekend de in artikel 21, derde lid, bedoelde afgetrokken hoeveelheden, bestaat het totaal der ramingen voor elk gebied voor elk synthetisch verdovend middel uit hetzij het totaal van de krachtens de letters (a), (b) en (d) van het eerste lid van dit artikel aangeduide hoeveelheden, onder toevoeging van elke hoeveelheid die nodig is om de voorraden die op 31 december van het voorafgaande jaar daadwerkelijk aanwezig waren op het overeenkomstig letter (c) van het eerste lid geraamde peil te brengen, hetzij uit het totaal van de hoeveelheden aangegeven krachtens letter (h) van het eerste lid van dit artikel.
- (d)
De krachtens de voorgaande letters van dit lid verstrekte ramingen worden waar nodig aangepast om rekening te houden met eventuele in beslag genomen en daarna voor wettig gebruik vrijgegeven hoeveelheden, alsmede met hoeveelheden onttrokken aan bijzondere voorraden ter voldoening aan de behoeften van de burgerbevolking.
3.
Elke Staat kan in de loop van het jaar aanvullende ramingen indienen, vergezeld van een toelichting op de omstandigheden die deze ramingen noodzakelijk maken.
4.
Partijen stellen het Comité in kennis van de werkwijze die is gebruikt voor het vaststellen van de in de ramingen voorkomende hoeveelheden, alsmede van alle wijzigingen die eventueel in deze werkwijze worden aangebracht.
5.
De in artikel 21, derde lid, bedoelde afgetrokken hoeveelheden niet . medegerekend, en zo nodig met inachtneming van de bepalingen van artikel 21 bis, mogen de ramingen niet worden overschreden.