Einde inhoudsopgave
Besluit activiteiten leefomgeving - Nota van toelichting
5.2.1 Gebruik van het installatiebegrip
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 293 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 293 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
Bij de aanwijzing van milieubelastende activiteiten komt op verschillende manieren de term installatie terug, mede gelet op de Europese regels die dit begrip hanteren. Voordat in paragraaf 5.2.3 een nadere toelichting wordt gegeven op aanwijzing van de milieubelastende activiteiten wordt daarom hieronder eerst ingegaan op het gebruik van het begrip installatie.
Dit besluit gebruikt de term installatie op vier verschillende manieren.
Als dit besluit de term ‘installatie’ zelfstandig of in samenstellingen gebruikt, is dat in principe zoals de term wordt gebruikt in het normaal spraakgebruik in de context van milieubelastende activiteiten: een geheel van technische toestellen of de handeling om iets voor gebruik geschikt te maken. Voorbeelden hiervan zijn de koelinstallatie of de installatie van een opslagtank.
Vaker wordt het installatiebegrip in dit besluit gebruikt in een meer specifieke betekenis, die afwijkt van de betekenis van de term installatie in het dagelijks spraakgebruik. De artikelen waarin milieubelastende activiteiten in hoofdstuk 3 worden aangewezen, bevatten een aantal begrippen die voortkomen uit het begrip ‘installatie’ in de richtlijn industriële emissies. De richtlijn gebruikt dit begrip om grote industriële bedrijven af te bakenen die onder de vergunningplicht en de regels over oplosmiddelen van de richtlijn vallen. De definitie van installatie in die richtlijn luidt: een vaste technische eenheid waarin een of meer van de in bijlage I of in deel 1 van bijlage VII vermelde activiteiten en processen en ook andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebracht en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden die technisch in verband staan met de in die bijlagen vermelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging.
Dit besluit gebruikt de volgende drie termen in de zin van het installatiebegrip van de richtlijn:
- •
Een ippc-installatie voor het aanwijzen van de (grote industriële) activiteiten waarop de richtlijn van toepassing is en een vergunningplicht instelt — dit zijn vaste technische eenheden voor de activiteiten in bijlage I bij de richtlijn;
- •
Een oplosmiddeleninstallatie voor het aanwijzen van de activiteiten waarvoor de regels voor oplosmiddelen moeten gelden — dit zijn vaste technische eenheden voor de activiteiten of processen in deel 1 van bijlage VII bij de richtlijn;
- •
Een andere milieubelastende installatie voor het aanwijzen van activiteiten die niet onder de richtlijn vallen, maar waar eenzelfde manier van aanwijzen wenselijk is. Dit is het geval voor bedrijven die een activiteit uit bijlage I bij de richtlijn verrichten onder een daar aangegeven drempel of bedrijven waar het net als bij de ippc-installaties van belang is dat alle samenhangende onderdelen onder de aanwijzing van de activiteit of de vergunningplicht vallen.
Het gebruik van het Europese installatiebegrip in Nederlandse milieuregelgeving is overigens niet nieuw. Ook onder de Wet milieubeheer en de Wabo speelde het begrip een rol. In de praktijk is daarmee dus al de nodige ervaring opgedaan.
Toelichting bij de werking van het installatiebegrip uit de richtlijn industriële emissies
Startpunt voor het installatiebegrip van de richtlijn is dat er een vaste technische eenheid is voor het verrichten van een activiteit of proces; de aard en omvang van deze activiteit of dit proces maakt dat er regels nodig zijn. Vervolgens voegt het begrip aan deze technische eenheid ook andere samenhangende activiteiten op dezelfde locatie toe.
De Europese Commissie heeft een guidance uitgebracht over het installatiebegrip. Hieronder staat een overzicht van een aantal relevante elementen uit het begrip, gebaseerd op de guidance. De guidance is te vinden op de website van InfoMil: www.infomil.nl.
1. De installatie is een technische eenheid
Dat is een eenheid ontworpen en gemaakt om de relevante activiteit uit te voeren. Elementen van de ‘technische eenheid’ kunnen zijn uitrusting, pijpleidingen, machines, gereedschap, niet openbare rangeersporen, dokken, laad- en loswallen, aanlegsteigers, opslagruimtes of vergelijkbare structuren, en faciliteiten voor inname, opslag, overslag, en voorbewerking van grondstoffen en producten, en voor het controleren, meten en registreren van de milieueffecten, als deze integraal onderdeel zijn van de aangegeven activiteit. De onderdelen van een technisch eenheid hoeven niet te zijn ondergebracht in hetzelfde bouwwerk.
2. De technische eenheid is vast
De technische eenheid is als geheel stationair, maar onderdelen ervan mogen bewegen. Zo kan transport met vorkheftrucks onderdeel zijn van een vaste technische eenheid. Een verplaatsbare technische eenheid die voor een significante periode op één plek gebruikt wordt voor een activiteit kan gezien worden als vaste technische eenheid. Wanneer die periode precies significant wordt, moet individueel worden beoordeeld.
3. De technische eenheid is bedoeld voor een aangegeven activiteit
De technische eenheid is bedoeld voor een nader aangegeven activiteit. In het besluit volgt deze activiteit na de volgende formulering: ‘Het exploiteren van een installatie voor’. Het kan ook zijn dat in een technische eenheid voor een aangegeven activiteit ook een andere elders genoemde activiteit voorkomt. De technische eenheid hoeft dus niet exclusief bedoeld te zijn voor één aangegeven activiteit.
4. De installatie omvat ook andere activiteiten op dezelfde locatie
Dit betekent vooral dat andere activiteiten in de nabijheid van de technische eenheid moeten worden verricht om tot de installatie gerekend te kunnen worden. Een fysieke scheiding of barrière kan een indicatie zijn dat een andere locatie begint, maar het is mogelijk dat twee terreinen doorsneden door een openbare weg toch tot dezelfde locatie gerekend zouden kunnen worden. Daarbij geldt dat hoe groter de mate van fysieke scheiding is, hoe sterker de rechtstreekse samenhang en het technisch verband moeten zijn.
5. De andere activiteiten moeten rechtstreeks met de aangegeven activiteit samenhangen
De onder 1 genoemde voorbeelden die elementen van een technische eenheid kunnen zijn, kunnen ook rechtstreeks samenhangende activiteiten zijn.
Alleen organisatorische samenhang zoals bijvoorbeeld het delen van voorzieningen voor beveiliging is onvoldoende om van rechtstreekse samenhang te kunnen spreken. Een activiteit hangt alleen rechtstreeks samen als de uitvoering van de andere activiteit in operationele zin nauw samenhangt met de aangegeven activiteit. Een voorbeeld is een faciliteit die een aangegeven activiteit ondersteunt, en op die locatie waarschijnlijk niet zou worden uitgevoerd als de aangegeven activiteit niet zou worden uitgevoerd.
Als bijvoorbeeld een stookinstallatie warmte levert aan een aangegeven activiteit, en daarnaast aan andere activiteiten, moet individueel beoordeeld worden of hij wel of niet rechtstreeks samenhangt.
6. De andere activiteiten moeten technisch in verband staan met de aangegeven activiteit
Een technisch verband betekent niet automatisch dat er een fysieke verbinding moet zijn, zoals een pijpleiding of lopende band. Als die fysieke verbinding aanwezig is, is er waarschijnlijk automatisch een technisch verband. Maar ook zonder fysieke verbinding kunnen twee activiteiten die redelijkerwijs gezien kunnen worden als twee onderdelen van dezelfde kernactiviteit in een technisch verband met elkaar staan, bijvoorbeeld omdat er materiaal met heftrucks van de een naar de ander verplaatst wordt.
Een andere activiteit die wel rechtstreeks samenhangt, maar geen technisch verband heeft, zoals bijvoorbeeld een kantoorgebouw, is geen onderdeel van de installatie.
Een andere activiteit kan technisch verbonden zijn met een aangegeven activiteit, maar daar niet rechtstreeks mee samenhangen. Bijvoorbeeld een elektriciteitscentrale is via het hoogspanningsnet technisch verbonden met alle afnemers van elektriciteit, maar dat is niet een rechtstreekse samenhang. Een specifieke centrale kan natuurlijk wel rechtstreeks verbonden zijn aan een industrieel proces, waardoor er wel sprake is van één installatie.
Een aantal algemene soorten niet in bijlage I genoemde activiteiten die rechtstreeks kunnen samenhangen en in technisch verband staan met bijlage I activiteiten zijn:
- •
Stookinstallaties die warmte of kracht leveren;
- •
Activiteiten voor de toevoer, bewerking en voorbereiding van grondstoffen;
- •
Activiteiten voor de bewerking van tussenproducten;
- •
Activiteiten voor de bewerking van eindproducten; en
- •
Activiteiten voor de behandeling van bijproducten, afval en emissies.
7. De andere activiteiten moeten gevolgen kunnen hebben voor de emissies en verontreiniging
De bedoelde gevolgen kunnen van de aangegeven activiteit komen, van de rechtstreeks samenhangende activiteit, of van de interactie tussen de twee. Er zijn ook gevolgen als de integrale BBT afweging vereist dat de twee activiteiten in samenhang worden bekeken, omdat de keuze anders suboptimaal zou zijn. ‘Kunnen hebben’ geeft aan dat niet alleen feitelijke emissies, maar ook milieugevolgen van incidenten meewegen.