Einde inhoudsopgave
Richtlijn 2009/18/EG vaststelling grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen in de zeescheepvaartsector
Artikel 7 Leiding van en deelname in het veiligheidsonderzoek
Geldend
Geldend vanaf 26-12-2024
- Bronpublicatie:
27-11-2024, PbEU L 2024, 2024/3017 (uitgifte: 06-12-2024, regelingnummer: 2024/3017)
- Inwerkingtreding
26-12-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
27-11-2024, PbEU L 2024, 2024/3017 (uitgifte: 06-12-2024, regelingnummer: 2024/3017)
- Vakgebied(en)
Openbare orde en veiligheid / Preventie
Vervoersrecht / Zeevervoer
Internationaal publiekrecht / Bijzondere onderwerpen
1.
In beginsel wordt naar elk ongeval of incident op zee slechts één onderzoek verricht door een lidstaat of door een voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat in samenwerking met andere lidstaten die een aanzienlijk belang hebben.
Bij veiligheidsonderzoeken waarbij twee of meer lidstaten zijn betrokken, werken de betrokken lidstaten derhalve samen teneinde spoedig overeen te komen welke voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat is. Zij stellen alles in het werk om overeenstemming over de onderzoeksprocedures te bereiken. In het kader van deze overeenstemming hebben andere staten die een aanzienlijk belang hebben, dezelfde rechten en toegang tot getuigen en bewijsmateriaal als de lidstaat die het veiligheidsonderzoek voert. Zij hebben er tevens recht op dat hun standpunt in overweging wordt genomen door de voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat.
Het uitvoeren van parallelle veiligheidsonderzoeken naar hetzelfde ongeval of incident waarbij een zeeschip is betrokken wordt strikt beperkt tot uitzonderlijke gevallen. In dergelijke gevallen melden lidstaten de redenen voor het uitvoeren van zulke parallelle veiligheidsonderzoeken aan de Commissie. Lidstaten die parallelle veiligheidsonderzoeken uitvoeren, werken met elkaar samen. In het bijzonder wisselen de betrokken veiligheidsonderzoeksautoriteiten tijdig alle relevante informatie uit die ze in de loop van hun respectieve veiligheidsonderzoeken hebben verzameld, met name om, voor zover mogelijk, gedeelde conclusies te bereiken.
Lidstaten nemen geen maatregelen die de uitvoering van een veiligheidsonderzoek onder het toepassingsgebied van deze richtlijn valt, onrechtmatig beletten, opschorten of vertragen.
1 bis.
Tijdens de uitvoering van het veiligheidsonderzoek verlenen de lidstaten die een aanzienlijk belang hebben, voor zover dat praktisch uitvoerbaar is, de lidstaat of lidstaten van het maritiemeveiligheidsonderzoek toegang tot de voor het veiligheidsonderzoek relevante informatie. De onderzoeker(s) die een veiligheidsonderzoek verricht (verrichten), wordt, indien dit noodzakelijk wordt geacht, ook toegang verleend tot informatie waarover inspecteurs van de overheid, personeel van de kustwacht, exploitanten van scheepvaartverkeersbegeleidingsdiensten, loodsen en ander maritiem personeel van de staat die een aanzienlijk belang heeft, beschikken, overeenkomstig zijn nationaal recht.
2.
Onverminderd lid 1, blijft iedere lidstaat verantwoordelijk voor het veiligheidsonderzoek en de coördinatie met andere lidstaten die een aanzienlijk belang hebben, totdat in onderling overleg is vastgesteld welk de voor het onderzoek verantwoordelijke staat is.
3.
Onverminderd zijn verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn en van het internationale recht mag een lidstaat in onderling overleg de leiding van een veiligheidsonderzoek of specifieke takenvoor het verrichten van zulk onderzoek, per geval aan een andere lidstaat delegeren.
4.
Wanneer een roropassagiersschip of hogesnelheidspassagiersvaartuig betrokken is bij een ongeval of incident, wordt de veiligheidsonderzoeksprocedure ingeleid door de lidstaat in wiens territoriale of interne wateren zoals gedefinieerd in Unclos het ongeval of incident heeft plaatsgevonden. Indien het ongeval of incident in andere wateren plaatsvindt, wordt de veiligheidsonderzoeksprocedure ingeleid door de laatste lidstaat die door dat roropassagiersschip of dat hogesnelheidsvaartuig is bezocht. De lidstaat die de veiligheidsonderzoeksprocedure heeft ingeleid, blijft verantwoordelijk voor het veiligheidsonderzoek en de coördinatie met andere lidstaten die een aanzienlijk belang hebben, totdat in onderling overleg is vastgesteld welke van die lidstaten de voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat is.