Einde inhoudsopgave
Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 wat betreft de diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen binnen de Unie van landdieren en broedeieren
Bijlage VII Geldigheidsvoorschriften voor vaccinaties tegen rabiës en risicobeperkingsmaatregelen voor andere ziekten dan rabiës
Geldend
Geldend vanaf 28-03-2026
- Redactionele toelichting
Wordt toegepast vanaf 22-04-2026.
- Bronpublicatie:
20-01-2026, PbEU L 2026, 2026/133 (uitgifte: 27-03-2026, regelingnummer: 2026/133)
- Inwerkingtreding
28-03-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
20-01-2026, PbEU L 2026, 2026/133 (uitgifte: 27-03-2026, regelingnummer: 2026/133)
- Vakgebied(en)
Dierenrecht / Bijzondere onderwerpen
Gezondheidsrecht / Bijzondere onderwerpen
Gezondheidsrecht / Voedsel- en warenkwaliteit
Dierenrecht / Veterinair recht
Dierenrecht / Dierenwelzijn
Deel 1. Geldigheidsvoorschriften voor vaccinaties tegen rabiës voor honden, katten, fretten en andere carnivoren
- 1.
Het vaccin tegen rabiës moet voldoen aan de volgende voorschriften:
- a)
het is een ander vaccin dan een gemodificeerd levend vaccin dat onder een van de volgende categorieën valt:
- i)
een geïnactiveerd vaccin met ten minste één antigeneenheid per dosis, of
- ii)
een recombinant vaccin dat de immuniserende glycoproteïne van het rabiësvirus in een levende virusvector tot expressie brengt;
- b)
wanneer het wordt toegediend:
- i)
in een lidstaat, is er overeenkomstig Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad (1) een vergunning voor het in de handel brengen voor verleend;
- ii)
in een derde land of gebied, is er een goedkeuring of een licentie van de bevoegde autoriteit voor afgegeven en voldoet het ten minste aan de voorschriften die zijn vastgesteld in het relevante deel van het hoofdstuk betreffende rabiës in het Manual of Diagnostic Tests and Vaccines for Terrestrial Animals van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (WOAH).
- 2.
Een vaccinatie tegen rabiës moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
- a)
het vaccin is toegediend door een officiële dierenarts of een gemachtigde dierenarts zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2026/131 van de Commissie (2), naargelang het besluit van de bevoegde autoriteit;
- b)
het dier was ten tijde van de primaire vaccinatie ten minste twaalf weken oud;
- c)
de datum van toediening van het vaccin is door een dierenarts zoals bedoeld in punt a) genoteerd in de desbetreffende rubriek van het identificatiedocument zoals bedoeld in artikel 71, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035;
- d)
de in punt c) bedoelde datum van toediening valt niet voor de datum van identificatie of de datum van (uit)lezing van het identificatiemiddel dat wordt vermeld in de desbetreffende rubriek van het identificatiedocument zoals bedoeld in artikel 71, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035;
- e)
de geldigheidsduur van de vaccinatie gaat in vanaf de vaststelling van de beschermende immuniteit, die niet minder dan 21 dagen na de voltooiing van het door de producent voor de primaire vaccinatie vereiste vaccinatieprotocol plaatsvindt, en loopt door tot het einde van de periode van beschermende immuniteit, zoals voorgeschreven in de technische specificaties van de in punt 1, b), i), bedoelde vergunning voor het in de handel brengen of de in punt 1, b), ii), bedoelde goedkeuring of licentie voor het vaccin tegen rabiës in de lidstaat of het derde land of gebied waar het vaccin wordt toegediend.
De geldigheidsduur van de vaccinatie wordt door een dierenarts zoals bedoeld in punt a) genoteerd in de desbetreffende rubriek van het identificatiedocument zoals bedoeld in artikel 71, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035;
- f)
een herhalingsvaccinatie moet als een primaire vaccinatie worden beschouwd indien deze niet binnen de in punt e) bedoelde geldigheidsduur van de eerdere vaccinatie is uitgevoerd.
Deel 2. Risicobeperkingsmaatregelen voor infectie met Echinococcus multilocularis
- 1.
De in artikel 53, punt d), en artikel 55, punt b), ii), bedoelde behandeling tegen infectie met Echinococcus multilocularis wordt uitgevoerd door een dierenarts en bestaat uit toediening van een diergeneesmiddel:
- a)
dat de geschikte dosis bevat van:
- i)
praziquantel, of
- ii)
andere farmacologisch werkzame stoffen waarvan is aangetoond dat zij, zelfstandig of in combinatie, ten minste even doeltreffend zijn als praziquantel voor het verminderen van de belasting van larvale en volwassen intestinale vormen van Echinococcus multilocularis in honden, en
- b)
waarvoor:
- i)
overeenkomstig Verordening (EU) 2019/6 een vergunning voor het in de handel brengen is verleend, of
- ii)
een goedkeuring of licentie is afgegeven door de bevoegde autoriteit in een derde land.
- 2.
De in punt 1 bedoelde behandeling is niet meer dan 120 uur en niet minder dan 24 uur vóór de datum van de geplande binnenkomst in een lidstaat of een zone daarvan met de ziektevrije status ten aanzien van Echinococcus multilocularis uitgevoerd.
- 3.
Voor andere Canidae dan honden bestaat de in artikel 58, lid 1, punt d), bedoelde behandeling tegen infectie met Echinococcus multilocularis uit een diergeneesmiddel zoals bedoeld in punt 1 en is die behandeling niet eerder dan 48 uur voor de binnenkomst in een lidstaat of een zone daarvan met de ziektevrije status ten aanzien van Echinococcus multilocularis uitgevoerd.
Voetnoten
Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG (PB L 4 van 7.1.2019, blz. 43, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/6/oj).
Gedelegeerde Verordening (EU) 2026/131 van de Commissie van 20 januari 2026 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft diergezondheidsvoorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren (PB L, 2026/131, 27.3.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2026/131/oj).