Einde inhoudsopgave
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 6.1b Aanvraagtermijn compensatie en tegemoetkomingen nabestaanden van overleden aanvrager kinderopvangtoeslag
Geldend
Geldend vanaf 01-01-2025
- Bronpublicatie:
11-12-2024, Stb. 2024, 400 (uitgifte: 13-12-2024, kamerstukken: 36577)
20-12-2023, Stb. 2023, 264 jo Stb. 2023, 501 (uitgifte: 27-12-2023, kamerstukken: 36420)
12-07-2023, Stb. 2023, 264 jo Stb. 2023, 501 (uitgifte: 14-07-2023, kamerstukken: 36352)
- Inwerkingtreding
01-01-2025
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
11-12-2024, Stb. 2024, 401 (uitgifte: 13-12-2024, kamerstukken/regelingnummer: -)
11-12-2024, Stb. 2024, 401 (uitgifte: 13-12-2024, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Overige regelgevende instantie(s)
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Invordering / Uitstel van betaling, kwijtschelding en verjaring
1.
Een aanvraag als bedoeld in de artikelen 2.9a, eerste lid, onderdelen a en b, of tweede lid, of 2.9b, eerste lid, onderdelen a en b, of tweede lid, wordt ingediend:
- a.
binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van de artikelen 2.9a, onderscheidenlijk artikel 2.9b, indien de overleden aanvrager is overleden voor of op de datum van inwerkingtreding van die artikelen; of
- b.
bij overlijden na de inwerkingtreding van artikel 2.9a, onderscheidenlijk artikel 2.9b, binnen zes maanden na de datum van overlijden van de overleden aanvrager.
2.
Indien voorafgaand aan het overlijden van de overleden aanvrager aan die overleden aanvrager geen toekenning heeft plaatsgevonden van compensatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of van een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, wordt een aanvraag als bedoeld in de artikelen 2.9a, tweede lid, of 2.9b, tweede lid, in afwijking van het eerste lid ingediend:
- a.
niet eerder dan na toekenning van een voorziening als bedoeld in de artikelen 2.9a, eerste lid, onderdeel a, onder 1˚ of 2˚, of 2.9b, eerste lid, onderdeel a, onder 1˚ of 2˚, aan de nabestaande; en
- b.
uiterlijk zes maanden na de datum waarop:
- 1˚
de beschikking tot toekenning van een voorziening als bedoeld in onderdeel a onherroepelijk vast komt te staan indien het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 2.9a, tweede lid; of
- 2˚
de beschikking tot toekenning van een voorziening als bedoeld in onderdeel a onherroepelijk is geworden voor alle kinderen van de overleden aanvrager die tijdig een aanvraag tot toekenning daarvan hebben ingediend indien het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 2.9b, tweede lid.