Einde inhoudsopgave
Instructie identificatieplicht over de uitoefening van bevoegdheden op grond van de Wet op de identificatieplicht
De wettelijke bevoegdheden
Geldend
Geldend vanaf 01-01-2017
- Redactionele toelichting
De datum van afkondiging is de datum van de Staatscourant.
- Bronpublicatie:
30-12-2016, Stcrt. 2016, 70055 (uitgifte: 30-12-2016, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
01-01-2017
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
30-12-2016, Stcrt. 2016, 70055 (uitgifte: 30-12-2016, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Politierecht / Bevoegdheden
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze instructie ziet op de bevoegdheden bij het handhaven van de wettelijke toonplicht (plicht ter inzage aanbieden) van het identiteitsbewijs. De bevoegde (politie)ambtenaren beschikken over de bevoegdheid om een identiteitsbewijs te vorderen in die gevallen waarin deze noodzakelijk voor de redelijke taakuitoefening is (= niet zijnde het handhaven van de identificatieplicht zelf).
Iedereen in Nederland van 14 jaar en ouder moet een geldig identiteitsbewijs kunnen tonen, als dit gevorderd wordt door een bevoegd (politie)ambtenaar. In afwijking op deze leeftijdsgrens is in bijzondere wetgeving ook onder de 14 jaar een toonplicht: art. 92 van de Wet personenvervoer (o.a. rijden zonder geldig vervoerbewijs) en art. 151a van de Gemeentewet (prostitutie).
Het niet ter inzage aanbieden is strafbaar gesteld in genoemd artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht (WvSr).
Onderstaand een weergave van enkele relevante wettelijke bepalingen.
Artikel 8 van de Politiewet 2012 |
1. Een ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de politietaak. |
2. Gelijke bevoegdheid komt toe aan een buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn taak. |
3. Gelijke bevoegdheid komt toe aan de militair van de Koninklijke marechaussee, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van zijn politietaak, bedoeld in artikel 4, eerste lid, en aan de militair van de Koninklijke marechaussee of van enig ander onderdeel van de krijgsmacht die op grond van deze wet bijstand verleent aan de politie. |
Artikel 6a van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten |
De opsporingsambtenaar is bevoegd tot het vorderen van inzage in een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn taak. |
Artikel 47 derde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen |
Een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is verplicht op vordering van de inspecteur terstond een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden, indien dit van belang kan zijn voor de belastingheffing te zijnen aanzien. |
Artikel 1:34 van de Algemene douanewet |
Een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is, indien dit voor de toepassing van de bij of krachtens de in artikel 1:1 bedoelde regelingen of de bij of krachtens deze wet vastgestelde bepalingen te zijnen aanzien van belang kan zijn, verplicht op vordering van de inspecteur terstond een identificatiebewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden. |
Artikel 5:16a van de Algemene wet bestuursrecht |
Een toezichthouder is bevoegd personen inzage te vorderen van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1van de artikel 1 van de[lees: van de]Wet op de identificatieplicht. |
Artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht |
1. Als documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden vastgesteld, worden aangewezen: 1°. een geldig reisdocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b, c, d, e en g, of een Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet; |
2°. de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie; |
3°. een geldig nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor zover de houder de nationaliteit van die andere lidstaat bezit; |
4°. een geldig rijbewijs dat is afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet, een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994 of een rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, waarvan de houder in Nederland woonachtig is, zolang de bij de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde termijn van geldigheid in Nederland niet is verstreken, aan de houder geen administratieve maatregel bedoeld in paragraaf 9[lees: afdeling 9] van hoofdstuk VI van de Wegenverkeerswet 1994 is opgelegd of aan hem niet de bijkomende straf bedoeld in artikel 179 van die wet is opgelegd en mits het rijbewijs is voorzien van een pasfoto van de houder. |
2 Onze Minister van Veiligheid en Justitie kan, al dan niet voor een bepaald tijdvak, andere dan de in het eerste lid bedoelde documenten aanwijzen ter vaststelling van de identiteit van personen. |
Artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht |
Een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is verplicht op de eerste vordering van een ambtenaar als bedoeld in artikel 8 van de Politiewet 2012 of artikel 6a van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 ter inzage aan te bieden. Deze verplichting geldt ook indien de vordering wordt gedaan door een toezichthouder. |
Artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht |
Hij die niet voldoet aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd krachtens de Wet op de identificatieplicht, het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht, de Overleveringswet, de Uitleveringswet, de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie. |