Einde inhoudsopgave
Richtlijnen inzake het landenrisico
Artikel 8 Kapitaals- en voorzieningseisen voor landenrisico
Geldend
Geldend vanaf 29-12-2000
- Redactionele toelichting
De datum van publicatie is de datum van de Staatscourant.
- Bronpublicatie:
29-12-2000, Stcrt. 2000, 252 (uitgifte: 29-12-2000, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
29-12-2000
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
29-12-2000, Stcrt. 2000, 252 (uitgifte: 29-12-2000, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
1.
Bepaling van de eisen voor landenrisico vindt plaats door de kapitaals- en/of voorzieningseis behorende bij de risicocategorie waarin het land is ingedeeld, toe te passen op het netto exposure van dat land. Hierbij worden de kapitaalseisen uitgedrukt als (bandbreedtes van) toevoegingen aan de risicogewichten voor het kredietrisico.
- a)
nihil-categorie: geen eisen
- b)
laag-categorie: kapitaalseisen 50% – 150%
- c)
midden-categorie: kapitaalseisen 150% – 250%
- d)
hoog-categorie: voor posten in de hoog-categorie geldt als eis dat de instellingen adequate voorzieningen treffen. Hiertoe maken de instellingen post voor post een inschatting van de te verwachten verliezen ten gevolge van het landenrisico, waarna een voorziening wordt getroffen ter grootte van de te verwachten verliezen.
Elke instelling dient te kunnen verantwoorden dat zij adequate voorzieningen heeft getroffen. Over het nietvoorziene deel van het netto-exposure is een kapitaalseis van minimaal 300% van toepassing. Deze kapitaalseis vervalt indien de specifieke voorzieningen (de som van debiteurenvoorzieningen en voorzieningen getroffen uit hoofde van het landenrisico) op een uitzetting meer dan 50% van het bruto exposure bedragen.
2.
De instellingen bepalen voor de laag-, midden- en hoog-categorie een kapitaalseis voor landenrisico op basis van hun inschatting van het landenrisico, binnen de randvoorwaarden gesteld in deze regeling.
3.
Ingeval de kapitaalseisen en/of voorzieningen voor landenrisico's tussen banken sterk uiteenlopen zal door de Bank worden bezien in hoeverre deze verschillen gerechtvaardigd zijn.
4.
De solvabiliteitseisen uit hoofde van het landenrisico dienen samen met die uit hoofde van andersoortige risico's door het toetsingsvermogen van de onder toezicht staande instelling te worden gedragen.