Einde inhoudsopgave
Rijksbesluit rechtspositie Gemeenschappelijk Hof van Justitie
Artikel 22
Geldend
Geldend vanaf 10-10-2010
- Redactionele toelichting
Tijdstip iwtr.: 00.00 uur in Aruba, Curacao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba. 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk.
- Bronpublicatie:
27-09-2010, Stb. 2010, 358 (uitgifte: 01-10-2010, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
10-10-2010
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
30-09-2010, Stb. 2010, 388 (uitgifte: 01-01-2010, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Afhankelijke geldigheid
Treedt tegelijk in werking met de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie (07-07-2010, Stb. 335).
- Vakgebied(en)
Ambtenarenrecht / Bijzondere onderwerpen
1.
Het salaris en de toelagen worden niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van overlijden.
2.
De door het lid van het Hof tot zijn overlijden opgebouwde nog niet genoten aanspraken in tijd en geld worden na zijn overlijden uitbetaald.
3.
Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een lid van het Hof wordt door het bestuur van het Hof aan de langstlevende echtgenoot dan wel de partner waarmee het lid van het Hof tot aan zijn overlijden een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, een som uitgekeerd, gelijk aan drie maal het bedrag aan het maandelijkse salaris en toelagen op het tijdstip van overlijden.
4.
Indien een lid van het Hof op het tijdstip van overlijden niet in actieve dienst is, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan drie maal hetgeen hij als inkomsten per maand zou hebben genoten, indien hij op de eerste van de maand van het overlijden in actieve dienst was geweest.
5.
Indien het overleden lid van het Hof geen betrekking als bedoeld in het derde lid nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de kinderen tot wie het lid van het Hof in familierechtelijke betrekking stond die de leeftijd van eenentwintig jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders, broeders, zusters of overige kinderen, ten behoeve van deze betrekkingen.
6.
Laat het overleden lid ook geen betrekkingen als in het vijfde lid bedoeld na, dan kan het in het eerste lid bedoelde bedrag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van kosten van de laatste ziekte en van de begrafenis, indien de nalatenschap van het overleden lid van het Hof voor de betaling van die kosten ontoereikend is.