Einde inhoudsopgave
Verordening (EU) 2021/2115 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013
Artikel 75 Vestiging van jonge landbouwers en nieuwe landbouwers, opstart van plattelandsbedrijven en de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven
Geldend
Geldend vanaf 01-01-2026
- Bronpublicatie:
19-12-2025, PbEU L 2025, 2025/2649 (uitgifte: 31-12-2025, regelingnummer: 2025/2649)
- Inwerkingtreding
01-01-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
19-12-2025, PbEU L 2025, 2025/2649 (uitgifte: 31-12-2025, regelingnummer: 2025/2649)
- Vakgebied(en)
EU-recht / Financiering
Agrarisch recht (V)
Milieurecht / Algemeen
EU-recht / Marktintegratie
Bestuursrecht algemeen / Subsidie
Overheidsfinanciën / EU-financiën
1.
De lidstaten kunnen steun toekennen voor vestiging van jonge landbouwers en de opstart van plattelandsbedrijven, waaronder vestiging van nieuwe landbouwers, en voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven onder de voorwaarden die in dit artikel zijn vastgesteld en die door hen nader zijn gespecificeerd in hun strategische GLB-plannen, met als doel bij te dragen tot het bereiken van een of meer van de specifieke doelstellingen die zijn vastgelegd in artikel 6, leden 1 en 2.
2.
De lidstaten kunnen steun in het kader van dit artikel enkel verstrekken ter bevordering van:
- a)
de vestiging van jonge landbouwers die voldoen aan de voorwaarden die de lidstaten in hun strategische GLB-plannen in overeenstemming met artikel 4, lid 6, hebben vastgesteld;
- b)
het opstarten van plattelandsbedrijven die verband houden met land- of bosbouw, met inbegrip van de vestiging van nieuwe landbouwers, of de diversificatie van inkomens van landbouwhuishoudens naar niet-landbouwgerelateerde activiteiten;
- c)
het opstarten van niet-landbouwactiviteiten in plattelandsgebieden in verband met de in artikel 32 van de Verordening (EU) 2021/1060 beschreven strategieën voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling;
- d)
de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven, zoals bepaald door de lidstaten uit hoofde van artikel 73, lid 4, tweede alinea, punt b).
3.
De lidstaten stellen voorwaarden vast voor de indiening en de inhoud van bedrijfsplannen die begunstigden moeten overleggen om steun in het kader van dit artikel te kunnen ontvangen.
4.
De lidstaten verstrekken de steun in de vorm van vaste bedragen, van financieringsinstrumenten of van een combinatie van beide. De steun bedraagt:
- a)
maximaal 100 000 EUR voor de in lid 2, punten a), b) en c), bedoelde activiteiten;
- b)
maximaal 75 000 EUR voor de in lid 2, punt d), bedoelde activiteiten.
De steun kan op basis van objectieve criteria worden gedifferentieerd.