Einde inhoudsopgave
Besluit bouwwerken leefomgeving - Nota van toelichting
§ 4.2.4 Veilig overbruggen van hoogteverschillen
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 291 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
Artikel 4.24 (aansturingsartikel)
De functionele eis van het eerste lid, geeft aan dat een bouwwerk voorzieningen moet hebben voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen. Uit het eerste lid volgt dat het gaat om het overbruggen van hoogteverschillen voor personen en niet om bijvoorbeeld een hellingbaan voor bijvoorbeeld fietsen en auto's. In de nadere uitwerking van de artikelen is aandacht besteed aan de toegankelijkheid voor personen in rolstoelen. Hoewel de regels in dit besluit zijn gesteld met het oog op personen en niet op dieren, zal in de regel een route of vluchtroute die geschikt is voor personen ook begaanbaar zijn voor een hulphond.
De tabel van het tweede lid wijst per gebruiksfunctie regels aan die van toepassing zijn op die gebruiksfunctie. Door aan deze regels te voldoen, wordt aan de functionele eis van het eerste lid voldaan. Voor iedere gebruiksfunctie gelden regels, daarmee is de functionele eis ook op alle gebruiksfuncties van toepassing.
Artikel 4.25 (voorziening bij hoogteverschil)
In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat hoogteverschillen die groter zijn dan 0,21 m (is tevens de maximale optrede van een trap) moeten worden overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan. Het overbruggen van grotere hoogteverschillen zonder goed begaanbare trap of hellingbaan geeft een te groot risico. De regel geldt alleen voor hoogteverschillen tussen de met name genoemde ruimten bij alle gebruiksfuncties, dus ook voor een woonwagen en een bouwwerk geen gebouw zijnde. De regel geldt niet voor een hoogteverschil naar een niet voor personen bestemde vloer, zoals de vloer van een kruipruimten, bergzolders en vlieringen. Verder gelden deze eisen ook niet voor meubilair zoals een hoogslaper in een studentenkamer. Als in die gevallen toch een trap of een hellingbaan wordt gemaakt, dan hoeft die niet te voldoen aan de regels van deze paragraaf.
In wegtunnels moeten, net als bij gebouwen, hoogteverschillen van meer dan 21 cm zijn overbrugd door een trap of hellingbaan. In afwijking van dit eerste lid is in het tweede lid bepaald dat op de vluchtroute in de wegtunnelbuis hoogteverschillen van 30 cm zonder trap of hellingbaan zijn toegestaan. Die regel is opgenomen om te voorkomen dat randen naast de weg uit oogpunt van verkeersveiligheid te laag moeten zijn.
Artikel 4.26 (afmetingen trap)
In het eerste lid wordt voor minimale eisen aan de afmetingen van een voorgeschreven trap (een trap als bedoeld in artikel 4.25) verwezen naar tabel 4.26. In deze tabel wordt onderscheid gemaakt tussen de reguliere trap en de trap alleen voor ontvluchten. De eisen aan een reguliere trap zijn onderverdeeld in eisen voor de woonfunctie en eisen voor andere gebruiksfuncties. Een trap voor een utiliteitsfunctie mag steiler zijn dan een trap voor een woonfunctie. Uit de verwijzing naar artikel 4.25 volgt dat deze eisen niet van toepassing zijn op een trap naar niet voor personen bestemde vloeren zoals vloeren van bijvoorbeeld een technische ruimte, een kruipruimte, een bergzolder, een vliering of een lichte industriefunctie. In een lichte industriefunctie is per definitie geen verblijfsgebied of -ruimte en daarmee ook geen voor personen bestemde vloeren. Omdat de woonwagen zich steeds meer ontwikkeld naar een reguliere woning en ook meer dan één bouwlaag kan omvatten is de regel ook aangestuurd voor de woonwagen. De eisen aan de doorstroomcapaciteit van een trap (artikel 4.80) kunnen invloed hebben op de minimale breedte van de trap. De maximale optrede is met 0,188 m zodanig gekozen dat het aantal treden gunstig uitkomt bij een hoogteverschil van 3 m tussen de vloeren.
Uit het tweede lid volgt dat een enkele trap geen hoogteverschil van meer dan 4 meter mag overbruggen. Bij een groter hoogteverschil zal een tussenbordes moeten worden geplaatst dat aan de afmetingseisen van artikel 4.27 voldoet.
Artikel 4.27 (trapbordes)
Artikel 4.27 geeft de afmetingseisen voor een trapbordes. Dit betekent dat in ieder geval aan de bovenzijde van een voorgeschreven trap een vloer moet zijn die aansluit over de volle breedte van de trap en een diepte (loopafstand) heeft van ten minste 0,8 m. Een bordes kan ook worden gebruikt om een te lange trap te splitsen in twee afzonderlijke trappen (zie de toelichting op artikel 4.26). Een trapbordes is dikwijls een vloer waarover een vluchtroute voert als bedoeld in artikel 4.78, eerste lid, (vrije doorgang van een vluchtroute) en moet dan de in dat artikel voorgeschreven hoogte boven de vloer te hebben. Artikel 4.80 stelt uit oogpunt van brandveiligheid eisen aan de doorstroomcapaciteit van een trapbordes als over dat bordes een vluchtroute voert. Het gaat dan om de doorstroomcapaciteit per meter vrije breedte van een ruimte, waarbij het trapbordes wordt gezien als de vloer van een ruimte.
Artikel 4.28 (leuning)
Elke volgens artikel 4.25 voorgeschreven trap waarmee een hoogteverschil van meer dan 1 m wordt overbrugd moet, als de hellingshoek van die trap groter is dan 2:3, over de volledige lengte van de trap een leuning hebben. Dit wijkt af van de eis voor een bestaande trap, die over de eerste 1,5 m van de trap geen leuning behoeft te hebben. De leuning kan zijn aangebracht op of onderdeel zijn van een in artikel 4.20 bedoelde vloerafscheiding.
Bij het bepalen van de breedte van de trap mag de leuning buiten beschouwing worden gelaten.
Artikel 4.29 (regenwerend)
Uit dit artikel volgt dat een gemeenschappelijke verkeersruimte waardoor een reguliere trap voert regenwerend moet zijn. Hiermee wordt voorkomen dat woningen in een woongebouw alleen bereikbaar zullen zijn via een buitentrap. Die regel geldt niet voor een trap die alleen bedoeld is voor het ontvluchten (noodtrap) of als het te overbruggen hoogteverschil kleiner is dan 1,5 m.
Artikel 4.30 (afmetingen hellingbaan)
Dit artikel stelt eisen aan de breedte, de hoogte en de hellingshoek van een voorgeschreven hellingbaan. De hellingshoek is afhankelijk van het hoogteverschil dat met de hellingbaan wordt overbrugd en varieert tussen de 1:12 en 1:20.
Eén enkele hellingbaan mag geen hoogteverschil van meer dan 1 m overbruggen. Bij een groter hoogteverschil zal een tussenbordes moeten worden geplaatst dat aan de afmetingseisen van artikel 4.31 voldoet. Een hellingbaanvloer is ook een onder een hellingshoek geplaatste vloer als bedoeld in artikel 4.78, eerste lid, (vrije doorgang van een vluchtroute) en moet de in dat artikel voorgeschreven hoogte boven de vloer te hebben.
Artikel 4.80 stelt uit oogpunt van brandveiligheid eisen aan de doorstroomcapaciteit van een hellingbaan als over die hellingbaan een vluchtroute voert. Het gaat dan om de doorstroomcapaciteit per meter vrije breedte van een ruimte, waarbij de hellingbaanvloer wordt gezien als de vloer van een ruimte. Genoemde eis kan maken dat de breedte groter moet zijn dan de in artikel 4.30 aangegeven breedte van ten minste 1,1 m.
Artikel 4.31 (hellingbaanbordes)
Artikel 4.31 geeft de afmetingseisen voor een bordes bij een voorgeschreven hellingbaan. Dit betekent dat in ieder geval aan de bovenzijde van de hellingbaan een vloer moet zijn die aansluit over de volle breedte van de hellingbaan. De vloeroppervlakte van het bordes moet ten minste 1,4 m bij 1,4 m bedragen. Een bordes kan ook worden gebruikt om een te lange hellingbaan te splitsen in twee afzonderlijke hellingbanen (zie ook artikel 4.30).
Een hellingbaanbordes is dikwijls een vloer waarover een vluchtroute voert als bedoeld in artikel 4.78, eerste lid, (vrije doorgang van een vluchtroute) en moet de in dat artikel voorgeschreven hoogte boven de vloer te hebben. Artikel 4.80 stelt uit oogpunt van brandveiligheid eisen aan de doorstroomcapaciteit van een hellingbaanbordes als over dat bordes een vluchtroute voert. Het gaat dan om de doorstroomcapaciteit per meter vrije breedte van een ruimte, waarbij het hellingbaanbordes wordt gezien als de vloer van een ruimte.
Artikel 4.32 (geleiderand)
Een voorgeschreven hellingbaan moet aan de zijkant een aaneengesloten geleiderand hebben, met een vanaf de vloer van de hellingbaan gemeten hoogte van ten minste 0,04 m. Dit is nodig om te voorkomen dat een wiel van bijvoorbeeld een rolstoel of rollator naast de hellingbaan terecht komt, waardoor de rolstoel of rollator kan kantelen. Een geleiderand kan onderdeel zijn van een in artikel 4.20, derde lid, bedoelde afscheiding van een hellingbaan. Met andere woorden aan artikel 4.32 kan zowel voldaan worden met een vloerafscheiding als met een handrail of leuning. Voor zover er een in artikel 4.20 bedoelde vloerafscheiding is, en deze vloerafscheiding een doorlopende bovenregel heeft is met de minimale hoogte van die vloerafscheiding van 1 m ruimschoots voldaan aan de in dit artikel bedoelde minimale hoogte van 4 cm.
Artikel 4.33 (tijdelijk bouwwerk)
Op een tijdelijk bouwwerk zijn de nieuwbouwregels van artikel 4.25 onverkort van toepassing. Dit is een afwijking van de in artikel 4.8 gegeven hoofdregel dat op tijdelijke bouwwerken de regels voor een bestaand bouwwerk van toepassing zijn.
Zie ook de toelichting op het eerste lid van artikel 4.8.