Einde inhoudsopgave
Besluit eigenwoningregeling; bijleenregeling (2024)
3.2 Sloop, brand en her- of nieuwbouw van een eigen woning
Geldend
Geldend vanaf 17-10-2024
- Bronpublicatie:
03-10-2024, Stcrt. 2024, 30149 (uitgifte: 16-10-2024, regelingnummer: 2024-22350)
- Inwerkingtreding
17-10-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-10-2024, Stcrt. 2024, 30149 (uitgifte: 16-10-2024, regelingnummer: 2024-22350)
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Eigen woning
De behandeling van de kosten van sloop en her- of nieuwbouw bij een woning is afhankelijk van de vraag of de woning een eigen woning is geweest in de zin van artikel 3.111, eerste lid, Wet IB 2001.
Voor de situatie waarin de woning nog geen eigen woning is geweest, valt te denken aan een woning die is gekocht met de bedoeling die te slopen en een nieuwe woning te bouwen. Die nieuwe woning wordt de eigen woning. In zo’n geval zijn de aankoopkosten, de sloopkosten en bouwkosten voor de nieuwe woning tezamen de verwervingskosten voor de nieuwe woning.
Voor de woning die wel een eigen woning is geweest, geldt het volgende. Bij sloop of brand van de woning is sprake van een fictieve vervreemding. Dat geldt ook als een woning (volledig) afbrandt, waardoor de woning niet langer als eigen woning ter beschikking staat. Er is sprake van een fictieve vervreemding, waarbij de vervreemdingsprijs ontbreekt. De vervreemdingsprijs moet dan worden vastgesteld op de waarde van de woning net vóór de sloop of de brand. De verwervingsprijs wordt bepaald door de kosten van her- of nieuwbouw. Ik vind dit ongewenst. Daarom keur ik met toepassing van artikel 63 AWR (hardheidsclausule) het volgende goed bij sloop of brand waarbij sprake is van een fictieve vervreemding.
Goedkeuring
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat de sloop of de brand voor de bijleenregeling niet wordt aangemerkt als een fictieve vervreemding.
Voorwaarden
Voor deze goedkeuring gelden de volgende twee voorwaarden:
- a.
De her- of nieuwbouw vindt plaats op de plek waar de gesloopte of afgebrande eigen woning stond of op een aanhorigheid van de gesloopte of afgebrande eigen woning.
- b.
De maximale eigenwoningschuld voor de nieuwe eigen woning wordt als volgt bepaald door de volgende onderdelen:
- –
de eigenwoningschuld op de oude eigen woning voor de sloop of de brand, vermeerderd met
- –
de kosten van de bouw van de nieuwe eigen woning op dat adres, en vermeerderd met
- –
de kosten veroorzaakt door de brand of van de sloop van de oude eigen woning, verminderd met
- –
elke tegemoetkoming in de kosten vanwege de brand, van de sloop of her- of nieuwbouw, bijvoorbeeld een subsidie van de gemeente of een verzekeringsuitkering.
Als de belastingplichtige vóór de brand of sloop al een eigenwoningreserve heeft door de vervreemding van een andere eigen woning, moet de maximale eigenwoningschuld voor de nieuwe eigen woning daarmee nog wel worden verminderd. Dit geldt ook voor een eigenwoningreserve van zijn partner, bij toepassing van de partnerregeling (artikel 3.119a, vierde lid, Wet IB 2001).